Milieuplatform

Het Milieuplatform Pijnacker-Nootdorp adviseert het college van burgemeester en wethouders over duurzaamheid in de ruimste zin van het woord.

Het Milieuplatform wil een bijdrage leveren aan een goede leefomgeving en een duurzame samenleving, in samenspraak met inwoners.

Thema’s waarover het Milieuplatform adviseert zijn: ruimtegebruik en duurzaam bouwen, ecologie, verkeer en vervoer, recreatie, geluid, bodem, water, lucht, afval, energie, bedrijven en milieucommunicatie. Inwoners van Pijnacker-Nootdorp kunnen zich melden bij het platform wanneer zij een speciaal onderwerp onder de aandacht willen brengen.

Samenstelling

De leden van het Milieuplatform vertegenwoordigen vooral lokale belangengroeperingen met betrokkenheid bij duurzaamheid, natuur- en milieuzaken, zoals bewonersverenigingen, ondernemersverenigingen en natuur- en milieuorganisaties.

Leden

  • Dhr. P. Clabbers, voorzitter (onafhankelijk)
  • Dhr. R. Smokers, Vereniging voor Natuur- en Milieubescherming Pijnacker
  • Dhr. S. Sliggers, Bewonersvereniging Delfgauw
  • Mvr. P. Graafland, Wijkvereniging Pijnacker Noord
  • Dhr. W. Luscuere
  • Mvr. D. van der Krijff-Looman
  • Dhr. E. Bakker
  • Mvr. M. Burgmeijer
  • Dhr. T. Duijvestijn

Word lid!

Bent u inwoner van de gemeente Pijnacker-Nootdorp en wilt u bijdragen aan belangenbehartiging op het gebied van duurzaamheid, natuur en milieu? Word dan lid van het Milieuplatform. Neem contact op met voorzitter, Paul Clabbers via e-mail pajmclabbers@gmail.com of telefoonnummer 06-48475780.

U kunt ook contact opnemen met Gerald Stam, Beleidsmedewerker Pijnacker-Nootdorp, via 06-10961730 of via e-mail g.stam@pijnacker-nootdorp.nl.

Vergaderingen

De vergaderingen van het Milieuplatform zijn openbaar en vinden plaats in het Bestuurscentrum aan de Emmastraat 165 in Pijnacker.

Adviezen

Geacht College,

Hierbij geeft het Milieuplatform u haar advies over het ontwerpplan 2e partiële herziening Keijzershof
2018.

De wijziging heeft betrekking op het deelgebied ‘Centrumlijn Noord’. In dit deelgebied vindt verdichting
plaats zodat ingespeeld kan worden op de behoefte aan meer sociale huurwoningen, bereikbare huuren koopwoningen en dure koopwoningen.

De ligging van de locatie bij de halte van Randstadrail is uitstekend geschikt om toekomstige bewoners
te verleiden om van Randstadrail gebruik te maken.

Het als bijlage toegevoegde Ambitiedocument vinden wij inspirerend en creatief. Onze vraag is in
hoeverre de voorstellen en ideeën uit het Ambitiedocument in het plan verwerkt worden. De
plantoelichting geeft daarover weinig informatie. Duidelijkheid over de vertaling van de ambities in de
uitwerking van de nieuwe wijk is nodig.

Een punt van serieuze aandacht is de geluidsbelasting. De voorkeursgrenswaarde wordt flink
overschreden. De bedoeling is een procedure te volgen voor het verlenen van een hogere waarde op
basis van de Wet geluidhinder. Wij vragen u te bezien welke maatregelen genomen kunnen worden om
de geluidsbelasting zo veel mogelijk te verminderen.

Het plan voorziet in een gebouwde parkeervoorziening met drie verdiepingen. De opzet is de behoefte
zowel aan P+R als aan parkeerplaatsen voor de bewoners te combineren. Dit dubbelgebruik vinden wij
een goede doelstelling.

De gebouwde parkeervoorziening bepaalt voor een deel het beeld van de nieuwe woonwijk. Het
Milieuplatform is voorstander van een (half)verdiepte parkeeroplossing in plaats van een bovengrondse
oplossing. Het parkeren raakt daarmee uit het zicht. Op maaiveldniveau ontstaat ruimte voor groen of
bebouwing.

Bij een bovengrondse parkeervoorziening zijn de uitgangspunten, als genoemd op pagina 43 van het
Ambitiedocument, belangrijk.

De realisering van het plan heeft een extra wateropgave van 490 m2 tot gevolg. De verwachting is dat
deze extra waterberging niet geheel in dit deelgebied is te realiseren en dus elders gevonden moet
worden. In dat geval zou het Milieuplatform buiten deze bouwlocatie graag een soort wijkpark willen
zien waar de waterbuffering wordt gerealiseerd. Wanneer dat niet kan, zou het bestemmingsplan meer
ruimte moeten bieden aan groen en waterbuffering.

Wij missen in het plan en de toelichting de realisering van een ecologisch concept, waarbij dit plan een
schakel vormt in de ecologische verbinding tussen het wijkpark Tolhek en de plas van Van Buijsen. Het
Ambitiedocument benoemt dit in onderdeel 2.3 kort, maar het plan vermeldt hierover niets, voor zover
wij kunnen nagaan.

Onze zorg is ook of de wijk wel duurzaam wordt ingericht en klimaatadaptief is. Hoe wordt gewaarborgd dat de doelstellingen over klimaatadaptatie en natuurinclusief bouwen, als genoemd in 2.3 en pagina’s 37 en 43 van het Ambitiedocument, werkelijkheid worden?

Met vriendelijke groet,

Namens het Milieuplatform Pijnacker-Nootdorp,
Paul Clabbers
Dit document is digitaal aangemaakt en daarom niet ondertekend

Inhoud Inleiding ONZE HISTORIE LAAT ZIEN: Ondanks dat we houden van het groen geraken we door onze keuzes het steeds meer kwijt 3 Inleiding Dit onderdeel betreft de zienswijze op de concept Omgevingsvisie, die de gemeente Pijnacker-Nootdorp momenteel ter inzage heeft gelegd. De Omgevingsvisie is een door de gemeenteraad vast te stellen integrale visie met strategische hoofdkeuzen van beleid voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn. Een Omgevingsvisie houdt rekening met het voorzorgsbeginsel, het beginsel van preventief handelen en het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt. We doen dit niet voor de eerste keer; ook in 2007 en 2014 formuleerde de gemeente de kernwaarden en vervolgstappen voor de toekomstige ontwikkeling. Naast bereikte winstpunten is niet altijd alles ten goede verbeterd en zijn aanvankelijke inzichten achterhaald. Goede bedoelingen waren er voldoende, maar de erbij bijpassende daden ontbraken soms. Koersvastheid op kernwaarden voor de gemeenschap blijft geboden. Adequaat besturen vereist visie, passende vervolgstappen en doorzettingsvermogen. Het begint met luisteren naar wensen en behoeften van inwoners en het vertalen in gewenste verbeteringen. Ons gemeentebestuur gaf in het kader van het proces om te komen tot een concept Omgevingsvisie in het najaar van 2020 de burgerparticipatie vorm via de enquête bij het ‘Panorama 2050’. Dit was een nuttige enquête! Echter wat wel of niet en met welke reden en in welke mate daarvan is meegenomen is niet verantwoord. Ook is inwoners geen gelegenheid geboden om met elkaar standpunten te delen en te bespreken. Dat is jammer, want als inwoners met elkaar hun meningen over de Omgevingsvisie hadden kunnen bespreken, had dit een verdiepingsslag, nieuwe inzichten en andere varianten voor de fysieke inrichting van onze gemeente kunnen opleveren. Het is gebleven bij een rapportage die het college heeft opgesteld en inhoudelijk geregisseerd. De Omgevingsvisie schetst in kleurrijk taalgebruik een rooskleurig toekomstperspectief voor onze gemeente. De stellingnames en keuzes bestendigen daarbij veel van het heden qua toewijzing van ruimte(benutting) en de vigerende omgevingswaarden (hindernormen e.d.) 1 . Zitten we dan toch nog te veel vast in oude denkpatronen en waarden in plaats van de bakens eens wat verdergaand te verzetten omdat we in ieder geval tot 2050 vooruit kijken? De teksten in de Omgevingsvisie kunnen meer eenduidigheid en scherpte gebruiken: op meerdere punten zijn ze voor tweeërlei uitleg vatbaar of weinig concreet. Alternatieve opvattingen en scenario’s ontbreken veelal. De potentie en rol van de plan-MER-procedure, waarin serieuze alternatieven op hun milieuconsequenties voor de leefomgeving worden getoetst, is daardoor eveneens onvoldoende benut en heeft daardoor zijn waarde en doelstelling niet kunnen bewijzen. Het gemeentebestuur heeft burgerparticipatie hoog in het vaandel. Ook de Omgevingswet hecht hier veel waarde aan. Het is daarom logisch dat burgerparticipatie de agenda van de keuzes bepaalt en daarom zal hierna vooral worden ingegaan op 4 thema’s te weten: natuur en omgeving, wonen, energietransitie, economie en werk. Daaraan voorafgaand bespreken we de inbreng van de burgerparticipatie. 1 In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels voor het Rijk en voor decentrale overheden. De regels gaan over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en monitoring. In het Bkl staan omgevingswaarden. Die moeten zorgen voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Ook helpen ze bij het zorgen voor een goede omgevingskwaliteit. De omgevingswaarden volgen vooral uit Europese of andere internationale verplichtingen. Bijvoorbeeld over luchtkwaliteit. https://iplo.nl/regelgeving/stelselomgevingswet/omgevingswet-in-ontwikkeling/hoofdlijnen-besluit-kwaliteitleefomgeving/ 4 1. Burgerparticipatie De meerwaarde van de Omgevingsvisie is de omzetting van de prioriteiten van de gemeenschap in samenhangende ruimtelijke oplossingen, randvoorwaarden en consequenties 2 . Dit vraagt wel dat we afstand nemen van sectorale benaderingen. De gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft meerdere sectoraal gerichte visies ontwikkeld de afgelopen jaren. Dit kan leiden tot conflicterende belangen en consequenties voor de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie is het document waarin al die conflicterende belangen tegen elkaar afgewogen zijn en waarin ook bijzondere aandachtspunten, zoals energietransitie, een plek krijgen. Maar ook aandacht voor natuur en milieu blijkt nodig. Want onderzoek maakt duidelijk dat bij de natuur een forse achteruitgang is opgetreden over een reeks van jaren 3 . Verbeteringen zijn nodig! Het in mei 2021 ingediende Burgerinitiatief om een samenhangende ‘natuurvisie’ voor onze gemeente op te stellen doelt hierop. De burgerparticipatie over de Omgevingsvisie leverde het volgende lijstje op qua prioriteiten: 1. Groen Pijnacker-Nootdorp (38%) 2. Thuis in Pijnacker-Nootdorp (20%) 3. Gezond en sociaal Pijnacker-Nootdorp (13%) 4. Veilig Pijnacker -Nootdorp (10%) 5. De identiteit van Pijnacker-Nootdorp (7%) 6. Duurzame energie Pijnacker-Nootdorp (6%) 7. Bereikbaar Pijnacker-Nootdorp (4%) 8. Het glas van Pijnacker-Nootdorp (1%) 9. Aan de slag in Pijnacker-Nootdorp (<1%) Aan het digitaal verlopen traject hebben vele inwoners deelgenomen 4 . Het overzicht geeft de door de deelnemers aangegeven ranking van prioriteiten weer. Het doel is deze inbreng te integreren tot 2 Dat vergt een cultuuromslag van sectoraal naar integraal denken en van locatie-gebonden naar gemeente breed. Het is de enige mogelijkheid om de veelomvattende aard van ruimtelijke vragen op de juiste manier aan te pakken. Onze gemeente is te klein en te dicht bevolkt om via sectoraal denken verdere aanvullingen en schaalvergroting aan te kunnen. Dat leidt slechts tot suboptimalisaties en het verliezen van integraliteit. 3 https://www.natuurmonumenten.nl/nieuws/nieuw-onderzoek-insectensoorten-sterven-massaal-uit. VNdirecteur roept op tot actie: “Biodiversiteit binnen de twee jaar aanpakken of mens roeit zichzelf uit” https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20181103_03902798. Uit Beleidsvisie ‘Natuur op de kaart’ (2017) en uit andere onderzoeken blijkt dat het op dit punt in onze gemeente eerder slechter dan beter is geworden over een reeks van jaren. 4 De Muren van de Omgevingsvisie, Impressie van de dialoog met de samenleving, februari 2021, gemeente 5 samenhangende beleidskeuzes over het gebruik van de ruimte, gericht op het maximaliseren van de meerwaarde voor de inwoners van onze gemeente. De groene omgeving (1) en wonen (2) staan bovenaan. Het college schrijft over de participatie-uitkomsten in haar Informatienota aan de Raad onder meer het volgende: ‘Door deze deelname is er ook inhoudelijk veel informatie opgehaald. Voor verschillende bouwstenen worden de bestaande ambities bevestigd. Zo is er weinig discussie over het belang van de groene buitengebieden, de (sociaal) veilige en gezonde leefomgeving en bereikbaarheid van Pijnacker-Nootdorp. Met name over de toekomst van de glastuinbouw zijn de meningen minder eenduidig. Ook wordt als aandachtspunt het belang van de samenhang tussen de verschillende bouwstenen meegegeven.’ In de Omgevingsvisie staat dat door een jarenlang te strikt doorgevoerd functie denken een suboptimale samenhang in de ruimtelijke, economische en sociale structuur is ontstaan. Naar het oordeel van het Milieuplatform is het goed dat de prioriteiten, die uit de participatie naar voren zijn gekomen, bij de afweging in de besluitvorming richtinggevend zijn voor veranderingen en verbeteringen in die samenhang. Gaat dat allemaal lukken met deze nieuwe Omgevingsvisie of blijven we toch hangen op een vertrouwd spoor? Hanteren we nu en later een voldoende scherp afwegingskader of blijven we nu en later opnieuw vooral schipperen en bestaande individuele- of sectorale economische belangen herbevestigen? Bieden we voldoende rechtszekerheid en werken we volgens het gelijkheidsbeginsel qua kansen en belangen voor de inwoners? 5 Het voornaamste knelpunt is en blijft dat we met te velen op een te klein oppervlak wonen om alle ruimtewensen te kunnen realiseren. We komen er alleen uit als we met respect voor de omgeving en voor elkaar passende afspraken maken en er vervolgens naar handelen. Dit langs de lijnen van onze democratische en rechtstatelijke principes. Daarbij bepaalt uiteindelijk de meerderheid, doch houdt daarbij op redelijke wijze rekening met minderheden in haar keuzes. Zienswijze burgerparticipatie 1. Het is goed om bij de afweging van belangen in de besluitvorming de uitkomsten van de enquête over Panorama 2050 als de bouwstenen voor de Omgevingsvisie 2050 te gebruiken. Dit leidt tot de volgende prioriteiten: 1. Groen Pijnacker-Nootdorp (38%) 2. Thuis in Pijnacker-Nootdorp (20%) 3. Gezond en sociaal Pijnacker-Nootdorp (13%) 4. Veilig Pijnacker -Nootdorp (10%) 5. De identiteit van Pijnacker-Nootdorp (7%) 6. Duurzame energie Pijnacker-Nootdorp (6%) 7. Bereikbaar Pijnacker-Nootdorp (4%) 8. Het glas van Pijnacker-Nootdorp (1%) 9. Aan de slag in Pijnacker-Nootdorp (< 1%) 2. Gebruik de Omgevingsvisie als een kompas: niet alleen om een bepaalde koers stabiel aan te houden, maar ook om andere wegen in te gaan naar nieuwe doelen, die rekening houden met prioriteiten, die door onze inwoners zijn aangegeven voor de toekomst. 3. Laat in de Omgevingsvisie duidelijker uitkomen welke de kansen en bedreigingen en dilemma’s er zijn en wat daarbij ‘hard en zacht’ is. Geef daarbij aan hoe daarmee in de toekomst om te gaan en welke rol burgerparticipatie daarbij kan spelen. 4. Leg een hogere ambitie neer in de Omgevingsvisie en gebruik daarbij de tijd als bondgenoot om fundamenteler ruimtelijk te veranderen en te verbeteren. Pijnacker-Nootdorp. Op blz. 5. Statistisch overzicht, de prioriteiten agenda en de representativiteit: ‘Uitgaande van de circa 21.500 huishoudens hebben we een respons van 18% wanneer we kijken naar het aantal bezoekers van het Panorama’. Dit laatste is boven verwachting volgens het college. 5 Als onze gemeente niet voldoende en heldere kaders stelt, deze zorgvuldig vastlegt en vervolgens ook handhaaft, dan gaat in de toekomst de rechter er steeds vaker aan te pas komen. 6 5. Zorg voor het periodiek toetsen aan een helder lijstje met vooraf vastgestelde criteria6 . 6. Maakt de Omgevingsvisie concreter op hoofdpunten. 7. Geef aan met welke frequentie de Omgevingsvisie wordt geëvalueerd en bijgesteld en hoe daarbij de democratische inbreng van de gemeenschap wordt geregeld. 2. Natuur en het groen Terecht staat het groen voorop als aandachtspunt in de Omgevingsvisie. Het is onze unieke kernwaarde 7 en voor velen een belangrijke reden om zich hier te vestigen. In de Omgevingswet is via de Wet Natuurbescherming 8 de verplichte aandacht voor natuur en groen verankerd. Groen heeft meerdere functies en is in onze provincie een schaars en gewild goed 9 . Met het groen in onze gemeente vervullen we een belangrijke regionale functie. Het heeft bufferend vermogen voor geluid, water en hitte in de zomer en isoleert in de winter. Geschikt groen versterkt de biodiversiteit en de natuurwaarden, verhoogt de vastgoedwaarde, beïnvloedt de gezondheid positief, verbetert het vestigingsklimaat, vangt CO2 af, verkoelt in de zomer, helpt wateroverlast te beheersen en verhoogt beeldkwaliteit. In een groene omgeving is men meer buiten en actiever. Het sociale klimaat wordt bevorderd door ontmoetingen buiten. Het binnen-groen vermindert stress en bevordert de concentratie. Kortom: mens, natuur en groene voorzieningen versterken elkaar en zijn een belangrijke levensvoorwaarde. In de afgelopen jaren is de natuur door andere (lokale) prioriteiten verder in de verdrukking gekomen 10. In onze gemeente is dat als gevolg van glastuinbouw, woningbouw en extra wegen. In de afgelopen 20 jaar is het voor de natuur beschikbare groenoppervlak afgenomen, zijn beoogde ecologische verbindingen 11 niet of onvoldoende aangelegd en zijn nieuwe blokkades ontstaan. De waterkwaliteit in tuinbouwgebieden is 6 Denk aan de volgende criteria: a. Kwaliteit en kwantiteit van de leefomgeving op orde. Open ruimte en buitengebied blijven de unieke kernwaarde behouden: herkenbare dorpen in het groen en met elkaar verbonden. b. Comfortabel, betaalbaar, aantrekkelijk en veilig wonen: aantrekkelijk en nabij groen. c. Sociale en andere voorzieningen, passend op de levensbehoeften en op het sociaal handelen. d. Lokale werkgelegenheid-aanbod is aansluitend op het arbeidsaanbod van bewoners en regio. e. Economische activiteiten bevorderen die aan bovenstaande punten substantieel bijdragen en er niet haaks op staan qua energieverbruik en omgevingsbelasting. Waar nodig herstructureren van het bestaande op redelijke termijn. Afbouw en uitplaatsen wat hieraan niet kan of wil voldoen en/of elders optimaler past en kan functioneren. 7 De Ackerdijkse Plassen: een Natura 2000 gebied met hoge natuurwaarden, Zuidpolder-Ruijven, behorend tot ‘Midden-Delfland gebied’ dat in 2017 is aangewezen als ‘Bijzonder Provinciaal Landschap in Zuid-Holland’, Balij en Bieslandsebos, De Groenzoom en het overige groene en open Buitengebied. https://www.middendelfland.nl/_flysystem/media/definitief_bidbook_bijzonder_provinciaal_landschap_midd en-delfland_website.pdf 8 In art. 1.10 lid 1, Wet natuurbescherming staat het doel van de wet: beschermen en ontwikkelen van de natuur, doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies en het verzekeren van een samenhangend beleid, gericht op behoud en beheer van waardevolle landschappen. Deze doelstelling wordt in de Aanvullingswet Natuur teruggebracht naar “de intrinsieke waarde van de natuur”. 9 Hoe groen zijn de Zuid-Hollandse gemeenten? Analyse van ruimtegebruik vanaf 1995 door NMFZH https://milieufederatie.nl/wp-content/uploads/sites/14/2019/02/20181207-Hoe-groen-zijn-gemeentenZH.pdf De bebouwingsgroei wordt over lange tijd gemeten te beperkt gecompenseerd met extra groen. 10 De achteruitgang van het insectenbestand is dramatisch (> 75 %), de weidevogels grutto en kieviet ontbreekt het aan voedsel en levenskansen. Invasieve soorten dringen op land en in het water op. Onze gemeente is daarvan niet uitgezonderd. Agrarische activiteiten, landschapsbeheer en andere maatregelen dienen meer en beter gericht te worden op ecologie bevordering. Daarbij is speciale aandacht nodig voor het ondersteunen van de biotopen van bedreigde soorten. Het noodzakelijke motto: ‘verbeteren i.p.v. stilstand en achteruitgang’. 11 Dit zijn corridors voor de natuur (planten, insecten, dieren) die de levensvatbaarheid bevorderen door gebieden en zones, vaak in combinatie met andere functies, adequaat met elkaar te verbinden. 7 onder de maat door chemische verontreiniging 12 . De lichtuitstraling en lichthinder in onze gemeente hebben een negatief effect op de kwaliteit van de woonomgeving. Het rapport ‘Natuur op de Kaart’ en lokaal uitgevoerde metingen toonden al in 2017 aan dat het in PijnackerNootdorp eerder slechter dan beter is dan het algemene referentiebeeld qua biodiversiteit ontwikkeling. Onze gemeente heeft met haar visie ‘Natuur op de Kaart’ ambities neergezet, maar deze zijn vervolgens onvoldoende voorzien van concrete verbeterdoelen, plannen, capaciteit en budget. Daardoor is maar beperkt inhoud gegeven aan de geformuleerde doelstellingen. Natuurverenigingen gaven aan dat de neergelegde gemeentelijke ambitie al onvoldoende was 13, laat staan de ervaren praktijkinvulling. We hebben meer rustnatuur nodig voor mensen, dieren, vogels en insecten Meer aandacht is nodig voor groene kwaliteitsverbetering, ecologische samenhangen, biodiversiteit en voor ‘respect, rust en ruimte’ in de natuur in zijn algemeenheid: er moet meer rustnatuur zijn voor mensen, dieren, vogels en insecten 14 . Voor een robuuste ecologie van de groene gebieden zijn ecologische verbindingen van belang. Geef die duidelijk aan in de Omgevingsvisie. Bij de gemeentelijke prioriteiten-afweging ten opzichte van andere belangen delft de natuur veelal het onderspit. Grote kassen kruipen bijvoorbeeld tot op de rand van natuurenclaves, zoals de Lepelaar plas in Delfgauw. Ze worden noch landschap versterkend noch natuurvriendelijk ingepast. De beeldkwaliteit aan de openbare zichtzijde van glastuinbouwgebieden kan beter. Die kenmerkt zich door een op economische bedrijfsvoering gebaseerd monotoon karakter door hoogte en massiviteit en een rommelige industriële uitstraling. Bestuurlijk lijkt er weinig aandacht voor te zijn en ondernemers zien een aantrekkelijk ogende bedrijfsomgeving nog niet als een issue. Maatschappelijk verantwoord ondernemen wordt door vele ondernemingen met trots gebruikt in commerciële uitingen, doch vaak onvoldoende in daden omgezet. Het profijt-handelen is volgens maatschappelijk verantwoord ondernemen pas legitiem, indien het niet meer ten koste gaat van de omgeving en mens- en natuurwaarden respecteert. Een vanzelfsprekende verplichting is ons inziens daarbij dat de ondernemer voorziet in voldoende natuurvriendelijke condities op het terrein en zorgt voor een ecologische koppeling met andere percelen en groene buffers. Dit als compensatie voor de verindustrialisering van een groot oppervlak. Het voorafgaande geldt vergelijkbaar voor nieuwe woongebieden en bedrijfsterreinen. Ook daar zou als minimumcompensatie natuur-inclusief bouwen 15 en natuurvriendelijke omgevingsinrichting moeten gelden. Bij dat laatste denken we ook aan de benodigde ecologische verbindingen, ingepast in het grotere geheel 16 . Nu vindt bij al langer bestaande natuurenclaves kaalslag plaats, zoals rond de Plas van Buijsen, 17 . Zo vernietig je in één klap de in jaren opgebouwde natuurwaarden. Het kost weer jaren om dat enigszins te herstellen, want de natuur heeft een vrij lange opbouwtijd nodig. Gebieden met natuur- en landschappelijke waarden plus 12 Rapport over onvoldoende waterkwaliteit en normoverschrijding, levensbedreigend voor insecten https://www.hhdelfland.nl/waterkwaliteitsrapportage-2019-2 13 Zie bijvoorbeeld de brief van KNNV-afdeling Delfland aan de gemeenteraad van Pijnacker-Nootdorp: ‘Zienswijze Natuurbeleidsplan ‘Natuur op de Kaart 2017’’, Kenmerk H2017 11 14, d.d.14 nov. 2017. 14 Dit vereist aandacht voor een betere zonering en regulering. Voorbeeld: mountainbikers en natuurwandelaars passen niet op hetzelfde traject; de een wil stevig sporten en de ander in rust van de omgeving genieten. Wees overigens terughoudend met de aanleg van routes voor mountainbikers! 15 https://www.duurzaamnieuws.nl/verhef-natuurinclusief-bouwen-tot-norm/ https://www.knnv.nl/sites/www.knnv.nl/files/users/delfland/rapportages/KNNV%20lijst%20Natuurlijk%20bou wen%20versie%202019%2002%2015_0.pdf Opmerking: dit vervangt niet het ‘Convenant Klimaat-adaptief Bouwen’ maar sluit daar wel goed bij aan. 16 Bijvoorbeeld door het vastleggen in m2 of percentages resterend groen per woning of bedrijfseenheid. Ook dient de ecologische samenhang te worden beschouwd en geborgd. 17 Zie nieuwbouw Park van Buijsen; grotendeels kaalslag bij de Plas van Buijsen in 2018. https://pijnackernootdorp-actueel.nl/bomen-plas-van-buijsen-niet-gekapt/. 8 agrarische bestemmingen zijn eveneens nog niet afdoende beschermd, zoals het historisch lint van de Zuideindseweg, waar een waterbassin en parkeerplaats zijn aangelegd 18 . In onze omgeving neemt de recreatieve druk op natuur en open landschap toe. Dat zal zonder afdoende maatregelen, mede gericht op het gedrag van bezoekers, verergeren. Het nadelige effect daarvan kan niet uitsluitend meer gecompenseerd worden door te gaan investeren in meer kwaliteit. Want die was toch al onvoldoende en wordt door drukte en andere factoren verder belast. Afdoende extra ruimte met robuustheid is nodig, anders redden we het niet, omdat de recreatieve druk te groot wordt. We moeten niet vergeten om bestaande bedrijfsterreinen inclusief tuinbouwgebieden en woonwijken groen- en natuurgerichter te maken en actief te laten bijdragen aan meer en betere natuurverbindingen. Dat hoort volgens het Milieuplatform in de Omgevingsvisie met Specifieke, Meetbare, Acceptabele, Realistische en Tijdgebonden (SMART) maatregelen gestalte te krijgen en uitgewerkt te worden in een thematisch omgevingsprogramma voor natuur en biodiversiteit. Ofschoon ze zeker een belangrijk deel van de natuur-ruggengraat vormen wordt het groene karakter van onze gemeente niet alleen bepaald door de drie hoofdgebieden namelijk Buytenhout, de Groenzoom en het Oude Leedegebied. Het Milieuplatform kiest voor een meer samenhangend beeld: ‘onze dorpsgemeenschappen verbonden in het groen’. Als gevolg van onvoldoende samenhangend beleid zijn natuurlijke blokkades en vernauwingen ontstaan op kritische plekken in de ecologie rond en tussen de dorpen in Pijnacker-Nootdorp. Die ruimten tussen onze vier dorpen zijn nu en in de toekomst juist extra waardevol voor de inwoners als ze groen zijn en blijven, omdat ze de beeldkwaliteit en de groenbeleving versterken. Wat Buytenhout betreft vraagt het Milieuplatform aandacht voor de gebiedsvisie Buytenhout West, die onder andere aan het college van Pijnacker-Nootdorp is aangeboden als input voor de Omgevingsvisie. Werk deze visie met de betrokken gemeenten uit in een omgevingsplan. Pak dit op als een pilot voor het maken van een omgevingsplan voor een natuur- en recreatiegebied. Zienswijze natuur en het groen 1. Het concept van ‘Verbonden dorpen in het groen’ ziet het Milieuplatform als uitgangspunt voor een doelgerichte ruimtelijke prioritering en (her)structurering. Dit past volledig in het Burgerinitiatief ‘Visie op het Groen’, zoals in mei 2021 aan de gemeenteraad is voorgesteld. Stel als uitwerking daarvan met voorrang een thematisch omgevingsprogramma ‘natuur en biodiversiteit’ op. Het belang hiervan wordt nog eens aangetoond door de planMER, die aangeeft dat een aanscherping nodig is van de (ontwerp) Omgevingsvisie op de ontwikkellijn ‘Onderscheidend groen’. 2. Maak extra ruimte voor groen en natuur. Niet alleen kwantitatief op basis van groennormen bij bijvoorbeeld nieuwe woningbouw, maar ook kwalitatief om de biodiversiteit te verbeteren. Ontzie de natuur en haal achterstanden in. Dit is nodig omdat recreatie- en woningdruk vanuit de omliggende stedelijke omgeving alleen maar zullen toenemen. Zorg voor ecologiesamenhang en verbetering van biodiversiteit. 3. Door de Buytenhouttafel is in een unieke samenwerking tussen burgers, organisaties en gemeente de gebiedsvisie Buytenhout West ontwikkeld. Deze visie is opgeleverd als input voor de Omgevingsvisie. Het Milieuplatform adviseert om voor Buytenhout samen met betrokken andere gemeenten een omgevingsplan uit te werken. Dit kan dienen als pilot voor het opstellen van een omgevingsplan voor een natuur- en recreatiegebied. 4. Maak meer gebruik van lokale expertise over de sterke en zwakke punten in de natuur van PijnackerNootdorp. Benut inbreng van inwoners en burgerinitiatieven. Inventariseer de kansen en bedreigingen met ondersteuning van natuur – en milieuorganisaties. 18 Tuinder realiseert een fors parkeerterrein en waterbekken en het college grijpt niet in. 9 5. Stimuleer dat inwoners hun tuinen meer ‘vergroenen’ in plaats van ‘verstenen’. Denk behalve aan communicatie en voorlichting ook aan een financiële stimulans of kwantitatieve regels om dit te bereiken. 6. Concentreer natuur niet voornamelijk in onze drie grote gebieden, maar breidt het uit tot in, tussen en rond onze vier woonkernen, bedrijfsterreinen, glastuinbouwgebieden en openbate terreinen. Zo bevorder je ecologische samenhang en de kansen op herstel van biodiversiteit. 7. Voor een robuuste ecologie van de groene gebieden zijn ecologische verbindingen van groot belang. In de Omgevingsvisie dient concreter aangegeven te worden waar deze zullen worden gerealiseerd. 8. Zorg in natuur- en groengebieden voor permanente en tijdelijke stiltegebieden. 9. Stel eisen aan beperking van licht- en geluidshinder. Wijs gebieden aan waar een donkerteregime heerst en de uitstraling van lichtbronnen afdoende wordt beperkt. 10. Natuur-, omgeving- en landschapsinclusief inrichten en handelen horen een vanzelfsprekende opdracht voor bewoners en ondernemers te zijn en niet alleen voor de gemeente 19 . 11. De gevolgen voor de fysieke leefomgeving van de invulling van de energietransitie, bijvoorbeeld in de vorm van leidingen, geothermiebronnen, windturbines en zonnepaneelvelden, vragen om een integrale afweging tussen alle thema’s om zo te komen tot een duurzame en toekomstbestendige Omgevingsvisie. 12. Werk deze punten SMART uit in een thematisch omgevingsprogramma ‘natuur en biodiversiteit’, dat de basis vormt voor omgevingsplannen voor de groene gebieden. Maak vervolgens per gebied een beheerplan, dat is afgestemd op de specifieke doelen20 . 3. Wonen Inwoners zetten de woonruimtebehoefte op de tweede plaats qua prioriteiten. In de hele regio is schaarste aan passende en betaalbare woonruimte. Vooral bij starters en ouderen is de urgentie hoog. De Omgevingsvisie maakt nog niet duidelijk of de opgenomen uitbreidingen een voldoende match vormen met de behoefte nu en later. Daarvoor is informatie nodig over demografische gegevens, zoals bewoners-samenstelling en – ontwikkeling, doorstroomeffecten, werkgelegenheid en regionale ontwikkelingen. De behoefte aan woningen beziet de Omgevingsvisie vooral vanuit het ruimtelijk beslag. Het is overigens gewenst te kijken naar het effect van differentiatie in de woningbehoefte en de invulling daarvan. Appartementen bijvoorbeeld vragen minder ruimtebeslag dan woningen. We hebben differentiatie in woonruimten nodig: huur en vrije sector, goedkoop en duur, groot en klein woonoppervlak, variatie in passende bouwstijlen, wel en niet gestapelde bouw, voor verschillende doelgroepen De toekomstige, lokale woonruimte-uitbreidingen horen bij voorkeur harmonisch te passen bij wenselijke omgevingsstructuren en dorpskenmerken. Dit uitgangspunt mag niet verstoord worden door de aanwezigheid van industriële- en tuinbouwbedrijven. Een redelijk percentage aan laagbouw eengezinswoningen en in bescheidener mate hoogbouw is voor de hand liggend 21. We moeten inzetten op differentiatie in realisering van woonruimten: huur en vrije sector, goedkoop en duur, groot en klein woonoppervlak, variatie in passende bouwstijlen, wel en niet gestapelde bouw, voor verschillende doelgroepen. Zo voorkomen we dat monotone standaard-woonconfiguraties de omgevingskwaliteit en het kenmerkende dorpse karakter van onze gemeente aantasten. De bedoeling is juist de omgevingskwaliteit en het dorps wonen te versterken. Laten we bovendien 19 Op blz. 31 van de conceptvisie staat een aansprekend voorbeeld hoe een kas met natuurvriendelijke zoom ingebed kan worden. De gemeente illustreert hiermee wat het oogmerk is en een praktische oplossing kan zijn. Nu nog doen! Bij moderne kassencomplexen is op de zichtranden een ‘vergroening’ nodig. Een optie kan zijn dat gemeente, provincie, burgers, bedrijven en andere partijen samenwerken bij extra grondaankopen en andere initiatieven voor meer natuur en beter natuurbehoud in onze gemeente. 20 Illustratief voorbeeld van een beheeradvies graslanden: https://delfland.knnv.nl/wpcontent/uploads/sites/43/2021/06/Beheeradviezen-graslanden.pdf 21 Meer groen en een groter huis: we willen anders wonen door corona, RTL-nieuws 2020. https://www.rtlnieuws.nl/economie/life/artikel/5176892/woonwensen-woningmarkt-koop-huur-fundanvmlandelijk-wonen-randstad 10 zorgen dat nieuwe woongebieden samenhang hebben met hun omgeving en voorzieningen. De Omgevingsvisie biedt ons nu bij uitstek de kans om te zorgen voor een dergelijke samenhang. Pijnacker-Nootdorp wordt geconfronteerd met een grote regionale woningbehoefte. Dat was zo, dat is nu zo en zal wellicht in de toekomst zo blijven! 22 De Omgevingsvisie hoort een antwoord te geven hoe we als gemeente in de toekomst zullen omgaan met die aanhoudende externe druk om weer meer woningen te bouwen in onze gemeente. 23 Het Milieuplatform is, evenals het gemeentebestuur, géén voorstander van extra toekomstige bouwopgaven boven op de aantallen, die nu al in de Omgevingsvisie zijn genoemd. Het zou verstandig zijn tijdig na te denken over de strategische argumenten om tegendruk te bieden als in de toekomst de externe druk om nog meer te bouwen groot wordt. Baseer deze argumentatie onder andere op de rol van onze gemeente in het bieden van rust en ontspanning in het groen voor inwoners van onze regio. Mocht zich onverhoopt de situatie voordoen, dat aan de genoemde druk niet te ontkomen is, dan is voor het Milieuplatform het uitgangspunt om zo veel mogelijk harmonisch aan te sluiten bij ons ‘meer-dorpenkenmerk met open buitengebied en natuurwaarden’. Dit betekent dat de omvang en de kwaliteit van buitengebied en natuurgebieden op zijn minst behouden blijven, maar liefst nog versterkt worden. Meer woonruimte vraagt om bijkomende, algemene voorzieningen en heeft ook impact op het gebruik van bestaande faciliteiten, zoals winkels, wijk-, welzijns- en zorgvoorzieningen. Bij een bevolkingstoename zal de behoefte aan en druk op het groen in de eigen omgeving en in het buitengebied 24 toenemen. Situering van woningen in of nabij tuinbouwbedrijven en bedrijventerreinen kan frictie geven in verband met de ervaren hinder en overlast. Naar we mogen aannemen zal via groene buffers of een ecologische groene en blauwe dooradering en door beperkingen van hinder en overlast hierin adequaat worden voorzien. Zorg dat het buitengebied niet ‘verrommelt’ Het Milieuplatform vraagt aandacht voor de landschappelijke ontwikkelingen van de linten in het buitengebied. Door toepassing van de ruimte-voor-ruimte regeling ‘verrommelt’ het buitengebied op een aantal plekken. We gaan er van uit dat nieuwe woningen vanzelfsprekend energieneutraal en natuur inclusief worden. We zien op de woningmarkt dat koopwoningen door exploitanten worden opgekocht niet voor zelfbewoning, maar om deze woningen te verhuren. Dit heeft onder andere schaarste op de koopwoningmarkt en prijsopdrijving tot gevolg. Mede hierdoor wordt het voor bepaalde doelgroepen, zoals starters, heel moeilijk om aan geschikte en betaalbare woonruimte te komen. In hoeverre speelt deze sociaal onwenselijke problematiek van het opkopen van woningen door exploitanten in Pijnacker-Nootdorp? Is de huidige of te verwachtte situatie zo, dat het nodig is maatregelen te nemen, zoals de gemeente Den Haag doet, om opkopen niet voor zelfbewoning tegen te gaan? 22 Het Economisch Instituut voor de Bouw voorspelt een landelijke bouwopgave van 501.500 extra woningen, waarbij bijvoorbeeld in Zoetermeer 36.500 extra woningen kunnen komen, te realiseren in glastuinbouwgebied en weiland. Dit mede in verband met betaalbaarheid en beschikbare OV-infrastructuur. Deze bouwopgave is boven op het binnenstedelijk bouwen van 810.000 woningen. Bron: De Telegraaf, dinsdag 8 juni 2021. 23 In de periode 2000-2020 is het inwonertal van onze gemeente met 140% gestegen, mede door een woningcontingent-bouwplicht voor de regio. Nu is er opnieuw grote schaarste aan woningen. CBS-projecties wijzen op de woonruimte gevolgen van migrantenstromen. Het is niet onaannemelijk dat ook onze gemeente extra wordt aangesproken om bij te dragen in het oplossen van provinciale woningbehoefte. 24 In de landelijke Nota Ruimte is als doelstelling opgenomen om bij nieuwe woongebieden een richtgetal van 75 m2 groen per woning te hanteren. Bij deze indicator is ervoor gekozen om te kijken naar de hoeveelheid openbaar groen (parken, plantsoenen, bos, natuur en dagrecreatieve terreinen) dat binnen een afstand van 500 m van de woning is gelegen. 11 Zienswijze wonen 1. Versterk cultuurhistorische lijnen en elementen, gebiedseigen bebouwingskarakteristieken en ecologische verbindingen. Stimuleer biodiversiteit, rust en ruimtebeleving. 2. Let goed op de landschappelijke ontwikkelingen van de linten in het buitengebied, want daar ontstaat ‘verrommeling’ door toepassing van de ruimte-voor-ruimte regeling. 3. Zet in op differentiatie in realisering van woonruimten: huur en vrije sector, goedkoop en duur, groot en klein woonoppervlak, variatie in passende bouwstijlen, wel en niet gestapelde bouw, voor verschillende doelgroepen 4. Het Milieuplatform is géén voorstander van extra toekomstige bouwopgaven boven op de aantallen, die nu al in de Omgevingsvisie zijn genoemd. Ontwikkel tijdig strategische argumentatie om tegendruk te geven als in de toekomst de externe druk om nog méér woningen te bouwen groot wordt. Baseer die argumentatie onder andere op de rol van Pijnacker-Nootdorp als ‘aanbieder van rust en ontspanning in het groen’ voor inwoners van onze regio. 5. Voorkom met afdoende maatregelen dat onroerend goed exploitanten koopwoningen aan de beoogde ‘eigen’ woonbestemming kunnen onttrekken. 6. Hanteer bij realisering van nieuwe woongebieden de norm van 75 m2 groen per woning conform de landelijke Nota Ruimte. 4. Energietransitie 25 Inwoners zetten dit aandachtspunt op plek zes qua prioriteit. Dat sluit aan bij de opvattingen van andere wereldburgers in de rijkere ontwikkelde landen. 26 Over het algemeen bestaat wel meer aandacht voor CO2- reductie, maar tegelijk is men ook kritisch over nut en effectiviteit van de maatregelen. Bij de principes ‘haalbaar, betaalbaar en eerlijk’, die als vertrekpunten worden gehanteerd, vraagt men zich af of ze ook daadwerkelijk kunnen worden bereikt 27 . Ook richten critici hun aandacht op de geringe omvang van het Nederlandse aandeel in de wereldwijde CO2emissie (0,47 %). Zij geven daarbij aan dat het aandeel nog verder zal dalen 28 . De noodzaak om een bijdrage te leveren aan de nationale doelstellingen vraagt dat we resultaatbewust omgaan met onze inzet en ons geld en niet zonder meer de ideeën voor de uitvoering van de energietransitie en de ruimtelijk inbedding opnemen in de Omgevingsvisie. Hieronder is een samenvattend overzicht opgenomen van het energiegebruik 2019-2030 in Pijnacker-Nootdorp, ontleend aan het Energietransitieplan, uitgedrukt in Tera-Joules per jaar. 25 We behandelen hier parallel aan de Omgevingsvisie ook het Energietransitieplan. 26 Why rich countries worry more about global warming than poor ones https://www.vox.com/2014/9/23/6835285/why-rich-countries-worry-more-about-climate-change-thanpoorones 27 De inwoners-enquête van 2021 over de Energietransitie in Pijnacker-Nootdorp leverde vele vragen en reacties op: Wat zijn de kosten? ‘Wie gaat de transitie betalen? Wat zijn het nut en de noodzaak van de energietransitie? Wat zijn de mogelijkheden en alternatieven? Wat wordt het beleid van Pijnacker-Nootdorp? Hoe verduurzamen we oude huizen? Waarom gaan andere landen juist over op aardgas en moeten wij er vanaf? Wat zijn subsidie mogelijkheden? Waarom wachten we niet tot we direct over kunnen stappen op waterstof? Wat kan ik nu al doen en hoe weet ik wat de beste optie is voor mijn huis? Ik hoor slechte verhalen over een warmtepomp (herrie, kou). Wat is het alternatief? Hoe voorkomen we dat er alsnog gas wordt gebruikt voor bijvoorbeeld het warmtenet? 28 https://en.wikipedia.org/wiki/List_of_countries_by_carbon_dioxide_emissions De NL-bijdrage aan CO2 – uitstoot is te klein om zichtbaar te zijn op deze kaart. 12 Volgens het verduurzamingsconcept ‘trias-energetica’ 29 is de eerste en voornaamste stap tot CO2-reductie het verminderen van energiegebruik via fossiele brandstoffen. Onze inwoners kunnen hieraan bijdragen door gedragsverandering en vermindering van minder duurzame activiteiten. Energiereductie zet zoden aan de dijk bij partijen en objecten met het grootste verbruik. In Pijnacker-Nootdorp is dat de tuinbouw. Het ligt daarom voor de hand om in onze gemeente naast andere sectoren ook te kijken naar de tuinbouw als grootgebruiker van warmte en elektriciteit met ruim 70% van het totaal. Daar is de energieintensiteit per m2 hoog. Bij warmte blijkt dat volgens de gemeentelijke projecties redelijk te lukken, echter bij het elektriciteitsgebruik zien we richting 2050 nog geen verbetering . Niet alleen voedselproductie maar ook producten, die niet tot de eerste levensbehoeften behoren, een korte levenscyclus hebben en dan worden weggegooid, zoals snijbloemen, vragen veel energietoevoer in deze sector. Je kunt hierbij vragen stellen, zoals: Is dit blijvend acceptabel als bestemming van schaarse groene energie? Moet productie beslist hier plaatsvinden of kan het ook energiezuiniger zoals in een warmer klimaat 30? Dit laatste helpt mee om de economische kansen elders te vergroten en creëert hier ruimte voor minder energiebehoeftige en hoogwaardiger activiteiten. Daarnaast is het een goede ontwikkeling als in de glastuinbouw het accent gaat verschuiven van energieintensieve naar energie-extensieve producten. De consument kan het beïnvloeden door seizoen- en energielabel-bewuster in te kopen 31 . Dergelijke alternatieve gedachten vinden we niet terug in de Omgevingsvisie en het Energietransitieplan. Het is jammer dat aan een sector met meer dan 70% van het totale energieverbruik nog weinig visionaire aandacht is besteed. Vinden we dat aan deze en andere energiegrootgebruikers schaarse duurzame energie blijvend beschikbaar gesteld kan worden, waarbij zij al dan niet tegen marktprijzen of mogelijk tegen een volumekorting worden getarifeerd? Ondernemers kunnen in het kader van hun bedrijfsvoering een rol spelen bij het halen van de doelen van de energietransitie. Naast afspraken daarover per bedrijfssector, zoals met LTO Glaskracht, is het nodig om ook met individuele ondernemers in meerdere sectoren afspraken te maken over hun bijdrage aan de energietransitie.32 29 De prioriteiten bij een duurzame aanpak en ontwerp https://nl.wikipedia.org/wiki/Trias energetica 30 Met name de productie van bloemen kost veel toegevoegde energie en CO2 uitstoot in onze omgeving, vooral in de winter. Daar is nog niet in meegenomen dat we veel van onze bloemen wereldwijd per vliegtuig exporteren. In Nederland kopen we vaak de bloemen gekweekt in Afrika. Dat is per saldo echter duurzamer qua CO2 footprint dan productie hier. 31 https://www.milieucentraal.nl/bewust-winkelen/uitgelichte-producten/bloemen/ 32 Laat onverlet dat het de verantwoordelijkheid van elke ondernemer is om door de overheid benoemde energietransitie-maatregelen tijdig te nemen. De overheid ziet handhavend daarop toe. Volgens artikel 2.15 1 e lid van het Activiteitenbesluit Milieubeheer dient degene die een inrichting drijft alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder te nemen. Deze beschikking biedt de gemeente de kans tot borging en koppelen van voorwaarden via de volgende bepaling in lid 2: “Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift een gefaseerde uitvoering van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, toestaan waarbij rekening wordt gehouden met de bedrijfseconomische omstandigheden van de inrichting. Hierbij stelt het bevoegd gezag per maatregel een redelijke termijn vast waarbinnen die maatregel moet zijn uitgevoerd.” 13 Laten we een dialoog starten tussen ondernemers, inwoners en gemeente over kansen, wensen en mogelijkheden m.b.t. de energietransitie. Het zou goed zijn een dialoog te starten tussen ondernemers, inwoners en gemeente over kansen, wensen en mogelijkheden m.b.t. de energietransitie. Dit kan leiden niet alleen tot wederzijds inzicht en begrip, maar ook tot creatieve, aanvaardbare ontwikkelingsopties met een tijdpad. Als we maximaal inzetten op oplossingen met energiereductie-winst, dan wordt ons lokale energietransitieprobleem aanmerkelijk geringer. Daarbij moeten we voor alle sectoren (glastuinbouw, woningen, overige bedrijven, overheid) in de gemeente in de gaten houden waar de toename en afname van het energiegebruik daadwerkelijk gestalte krijgt. Een energieboekhouding vervult daarin een ondersteunende rol. Als persoon X of bedrijf Y nieuwe (bedrijfs)activiteiten wil ontplooien, die meer energie gaan verbruiken dan in de huidige situatie, horen daartegenover compenserende maatregelen te staan. Immers productiegroei en energieverbruik kennen grenzen of behoren deze te hebben vanuit duurzaamheidsoptiek. Wellicht kunnen we door een extra reductieslag bij grootgebruikers zelfs met onze geothermie de buurgemeenten gaan helpen. Het Milieuplatform ondersteunt van harte het vertrekpunt dat het groene buitengebied van Pijnacker-Nootdorp vrij zal blijven van energieopwekkers, zoals niet inpasbare zonnepaneelvelden en windturbines. Hierbij sluiten wij ons aan bij de visie van Natuurmonumenten: ‘Laat de natuur en de omgevingskwaliteit in haar waarde en behoudt haar waarde bij de energietransitie’. Windturbines passen niet goed in onze kwetsbare omgeving 33 . Zelfs niet op bedrijfsterreinen en in glastuinbouwgebieden. De vertegenwoordiger van NMP is niet per se tegen plaatsing van windmolens als dit nodig is om de klimaatdoelen te halen. Maar alternatieven voor energieopwekking met minder tot geen impact op landschap en natuur dienen voorrang te krijgen boven windmolens. Volgens het Milieuplatform is de kwetsbaarheid van het landschap en de inpasbaarheid van de oplossingen voor de lokale energieproductie zowel qua uitgangspunten als consequenties nog onvoldoende helder gemaakt door het college. Waar kunnen zonnepanelen op land in onze gemeente wel en hoe vindt de natuurlijke inbedding ervan plaats? Sluit dit aan bij de maatschappelijke beleving qua draagvlak? Wij zijn voorstander om in onze omgeving nu en in de toekomst zo veel mogelijk in te zetten op zonnepanelen op daken van woningen 34 en bedrijven en andere gebouwen, inclusief de tuinbouw 35. Dergelijke oplossingen behoren met ruimtelijke regelgeving en financiering te worden ondersteund. Daarbij kan B&W verplichten om binnen een te bepalen termijn, onderzoek te verrichten of te laten verrichten waaruit blijkt of aan het eerste lid wordt voldaan. Indien uit het onderzoek, blijkt dat niet wordt voldaan aan het eerste lid, neemt degene die de inrichting drijft de in het eerste lid bedoelde maatregelen binnen een door B&W te bepalen redelijke termijn. 33 Windturbines veroorzaken omgevingsschade (beeldkwaliteit, geluid, lichtschittering), vereisen delving en gebruik van zeldzame metalen en veroorzaken restafvalproblemen. Voorts leggen ze beslag op een opstelplek. De opsteltermijnen zijn tot nu toe niet begrensd; er zijn geen afbraakeisen en -waarborgen ten laste van de uitbater. Overigens geldt het milieuprobleem ook voor recycling van zonnepanelen na zo’n 25 jaar gebruik, maar er gloort hoop op een meer circulaire toekomst via de productie van betere panelen. https://www.tno.nl/nl/aandachtsgebieden/energietransitie/roadmaps/hernieuwbareelektriciteit/zonneenergie/pv/recyclebare-zonnemodules/ Windenergie op zee produceren en/ of het inkopen ervan elders (er is regelmatig fors windenergieoverschot internationaal) kan zeker in onze dichtbevolkte Randstad een omgevingsvriendelijker oplossing zijn. 34 Net als bij bedrijven geldt bij woningen de trias energetica, waarbij we als eerste werken aan reductie van energiegebruik via betere woningisolatie, kansrijke maatregelen en gedrag-aanpassing. 35 Veel woningen zijn geschikt voor zonnepanelen en kunnen zo elektrisch energieneutraal worden gemaakt. Liefst met wat overschotcapaciteit, want dan is er speelruimte voor elektrisch koken, warmtepomp en airco. Voldoende isolatie aanbrengen op een geschikt moment is veelal nuttig. ‘Van het gas af’ lijkt op vele plekken een brug te ver en de extra CO2 winst is vrij marginaal of te duur. Het lijkt er op dat vele bedrijven (inclusief 14 Het Milieuplatform bepleit flankerend beleid om de beoogde transitie bestuurlijk te borgen. Te beginnen met het toetsen en aansturen dat nieuwe bedrijven of uitbreiding van bestaande bedrijfsactiviteiten in alle sectoren voldoende bijdragen aan de beoogde energieneutraliteit. Nieuwe bedrijfsmatige activiteiten zouden geen (extra) fossiel energieverbruik met zich moeten meebrengen en/of ze behoren duurzamer te zijn dan het gemiddelde van bestaande vergelijkbare activiteiten in onze gemeente. Tot nu toe richt de gemeente zich bij de energietransitie vooral op de doelgroep ‘particuliere huishoudens’. Maar meer focus is nodig op de ‘grote spelers’ qua energiegebruik. Willen we al onze ambities waarmaken dan kunnen we niet om die spelers heen. Dit vraagt dan wel om gericht beleid op basis van inzicht. Hierna illustreren we dit aan de hand van de voornaamste energiecijfers die nu nog onvoldoende eenduidig zijn. Oostlandse glastuinbouw zet koers naar 2030, blz. 49 en 50, WUR, 2019, Kwadrant A=GTB-PN 36 . glastuinbouw: WKK-reserve) wel hun gasaansluiting behouden en kunnen gebruiken. Gaan woonwijken en bedrijventerreinen wel van het gas af, maar glastuinbouw-gebieden door hun dubbele functie van WKK-reserve niet? Hoe dit aangestuurd wordt is tot nu toe niet duidelijk. Of dit inhoudt dat rest- en bodemwarmte minder toegepast zullen worden in de glastuinbouw is eveneens onduidelijk. Of warmtenetten in woonwijken betrouwbaar en betaalbaar zijn en blijven is nog onvoldoende bewezen. 36 Oostlandse glastuinbouw zet koers naar 2030, 2019 Bron: https://edepot.wur.nl/494744 15 Bovenstaand een totaaloverzicht uit Klimaatmonitor Rijsoverheid voor Pijnacker-Nootdorp 37 . Totaal (warmte plus elektra) volgens WUR in 2015 en 2030: resp. 6.004 TJ en 4.132 TJ (=69%). De gemeente Pijnacker-Nootdorp in haar energienota in 2019 en 2030 : resp. 3.445 TJ en 2.695 TJ (=78%). Klimaatmonitor Rijksoverheid, energieverbruik 2015 en 2019: resp. 3.994 TJ en 4.246 TJ (groei). De forse verschillen kunnen wij niet duiden. De veronderstellingen van de WUR staan in hun rapport, in de gemeentelijke nota ontbreken ze. Uit het WUR-lijstje blijkt dat assimilatieverlichting bij bloemen ook in de toekomst nog veel elektra inzet vergt. Wellicht toch de focus naar andere teelten en concepten verleggen 38 ? De conclusie is dat de gemeente zorg draagt voor eenduidig controleerbare cijfers en toelichtingen. De gemeentelijke ambitie is kennelijk om rond 2050 zo’n 50-60% lokale opwek aan elektrische energie te bereiken. Deze ambitieuze doelstelling mist een goede onderbouwing. Hoe verhouden onze ambities zich tot andere gemeenten in de omgeving op gebied van warmte en elektriciteit? De gemeente Lansingerland richt zich bijvoorbeeld op 25% lokale opwek in 2050 39. Delft en Zoetermeer hebben voor zover bekend dergelijke hoge ambities niet opgenomen. Wij vragen aandacht voor een andere mix aan lokale activiteiten (met name minder energie-verbruikende bedrijfsactiviteiten in tal van bedrijfssectoren) ter energiereductie. Tegelijk kunnen we naar een realistische mixstreefwaarde in de verhouding tussen lokaal opgewekte en ‘import’ van elektrische energie toe werken op de langere termijn. Waarbij we voorkomen dat de financiële voordelen, veelal gebaseerd op ruime subsidievertrekking, bij sommigen terechtkomen en de nadelen (als negatieve invloed op de fysieke leefomgeving) per saldo voor de gemeenschap zijn. Dus niet uitsluitend meer vanuit een ambitie onszelf een verplichting opleggen om over te gaan op dure of te complexe opwekking. Laten we kijken naar de ons omringende gemeenten, die een realistische mix hanteren. Het is aannemelijk dat we in Pijnacker-Nootdorp voldoende geothermie-warmte kunnen opwekken en een overschot kunnen exporteren. Bij elektra zullen we wat meer moeten importeren. Zonder inzicht in de effecten versus de kosten van de energietransitie-opties is een zinvolle discussie met bedrijven en inwoners niet mogelijk en worden keuzes gemaakt op basis van onvoldoende grondslag 40 . 37 https://klimaatmonitor.databank.nl/content/energieverbruik Download: PN, zie Hoofdstuk 2.1. 38 Inzet op concepten als daglichtkas kunnen het energieverbruik met 50% verminderen. De daglichtkas is ontwikkeld door Technokas, in samenwerking met Wageningen Universiteit en verschillende leveranciers. https://technokas.nl/smart-greenhouses/kassenbouw/daglichtkas/ 39 ‘Lansingerland duurzaam’, 2019, pagina 16. 40 Enkele vraagpunten: als de doelstellingen nu voor 2030 zijn gedefinieerd; wat ‘kost’ dat dan bij 3 geothermiebronnen, leidingnetwerk, ruim 50 ha zonnepanelen? Als de doeltellingen voor 2050 nog veel hoger liggen (immers dan alles toch terug naar 0% gas en geen CO2 uitstoot): wat betekent dat dan voor het ruimtebeslag en de investeringen? Stel 3 geothermiebronnen, leidingnetwerk, ruim 50 ha zonnepanelen is de eindoplossing. Dan nog moet je in de Omgevingsvisie aangeven hoe we die inpassing vorm gaan geven. Wat betekenen 50 ha zonnepanelen in de GTB- 16 Naast betaalbaarheid staat een eerlijke verdeling van lusten en lasten voorop. Tot nu toe is dat laatste structureel onevenwichtig op nationaal niveau: want burgers betalen meer dan bedrijven per eenheid energie bij gas en elektra door het (nog steeds uit het verleden voortkomende) stelsel. Zoals eerder gezegd behoren ook de inwoners actief bij te dragen aan energietransitie. Net als bij bedrijven hanteren we daarbij de trias energetica volgorde, waarbij we als eerste werken aan gebruiksreductie (via betere woningisolatie en aangepast handelen). Monitoring verschaft ons het inzicht of we op het gebied van energie-transitie de gestelde doelen bereiken. Het vereist een actueel en betrouwbaar dashboard met ‘technische cijfers’ over de voortgang en resultaten van de transitie en van de kostenbeheersing. Ook is het goed om te beoordelen hoe we het doen in vergelijking met anderen. Ter illustratie van het laatste punt een overzicht, ontleend aan de Duurzaamheidsindex van Nederland (DiNG) 41. Het vergelijkt huishoudens per gemeente met het landelijk gemiddelde. Index Delft Zoetermeer PijnackerNootdorp Lansingerland Westland Midden Delfland Beste gem. NL Zonnestroom 0,4 0,8 1,2 1,3 1,0 1,8 ISDE-subsidie 0,7 0,7 1,0 1,0 0,9 1,0 Verstening 1,0 0,9 1.1 1.2 0,9 1.6 1,7 Gemiddeld 0,1 0,4 1,3 1,5 0,8 1,6 5.9 Pijnacker-Nootdorp scoort volgens dit overzicht redelijk vergelijkbaar met de omgevingsgemeenten qua zonnestroom. Het aandachtgebied ‘risico- en energieleverbetrouwbaarheid’ ontbreekt nog in het Energietransitieplan. Nodig zijn concrete doelen met een tijdlijn en bijpassend budget. Ook inzicht in de belangrijkste inhoudelijke 42 en financiële risico’s en onzekerheden, waar mogelijk gekwantificeerd met een analyse van hoe deze te beheersen in de investering-, project- en operationele fase. Monitoring en (bij)sturing vormen de bijkomende vereisten. De levering van restwarmte vanuit het havengebied Rotterdam aan de provincie Zuid-Holland laat een positief plaatje zien 43 . Met de voorziene opschaling van de waterstofproductie is er kennelijk voldoende capaciteit om de behoefte volledig te dekken tot 2050 (namelijk 23 PJ in 2030 en 45 PJ in 2050; equivalent met resp. 0,5 mln. en 1 mln. huishoudens energiegebruik) en het warmtegebruik vermijdt heel veel CO2 uitstoot. gebieden i.v.m. de eisen voor inpassing in groenstructuur, blauwe dooradering, natuurvriendelijke inrichting en bijdrage aan de biodiversiteit? Want het uitgangspunt ‘dorpen verbonden in het groen’ hoort prioritair te zijn. 41 DiNG https://www.vattenfall.nl/producten/energie/duurzaamheidsindex/ 42 Daaronder ook die van geothermie putten. Hoe worden deze risico’s bewaakt en beheerst, wie is aanspreekbaar voor schade, zijn de verantwoordelijkheden afdoende geborgd? Is een draaiboek beschikbaar voor calamiteiten in de boorfase en achteraf? Welke zijn de calamiteitscenario’s bij dergelijke boringen (denk aan gas, olie, vervuild water en grond, toxische stoffen)? Zon en wind zijn geen stabiele energiebronnen. Hoe borgen we dat we een stabiele energievoorziening houden? Kan kernenergie hierbij een oplossing bieden? We moeten in ieder geval zorgen dat bedrijven kunnen blijven produceren en dat woningen warm blijven in de koudere perioden. 43 Zie Regionale Energiestrategie Rotterdam Den Haag, RES 1.0. Punt 8.2. Stap 2, warmteaanbod, etc. Waterstoffabrieken nieuwe bron van duurzame warmte voor Zuid-Holland. Bron: Havenbedrijf Rotterdam. https://www.portofrotterdam.com/nl/nieuws-en-persberichten/waterstoffabrieken-nieuwe-bronvanduurzame-warmte-voor-zuid-holland 17 Na 2030 is een belangrijk deel van de restwarmte afkomstig van het via elektrolyse producen van waterstof. De energetische-output bestaat zo uit benutbare restwarmte en waterstof. Beiden zijn met voordeel klimaatneutraal in te zetten. Het kostenplaatje en de risico’s voor de eindverbruiker zijn echter nog niet duidelijk. Maar het moet mogelijk zijn om ook dat verantwoord voor alle partijen op te lossen, zoals via een open businesscasevergelijking van aanbieders en afnemers van warmte. De uitdaging is om de warmte verliesvrij en economisch te transporteren en te benutten binnen de provincie. Ook dit vergt nadere studie vanwege onder andere technische onzekerheden, haalbaarheid en ruimtelijke inpassing. Bij productie en levering van waterstof en restwarmte vanuit de Rotterdamse haven is nog het volgende ter overweging 86: Wellicht komen we op termijn alsnog uit op een mix-oplossing van een warmte- én een waterstofnet. De eerste oplossing is vooral voor grootverbruikers en grotere woonclusters van toepassing en de tweede in de rest van de woonsituaties. Dat zou prima passen bij behoud van ons gasnetwerk. Het beleid was al om dit gasnetwerk in ieder geval in het laag bebouwde buitengebied te handhaven. Maar als dat laatste economisch verantwoord is, waarom dan ook niet elders in dichter bebouwde wijken? Dit wordt relevanter indien een behoorlijk percentage van de particuliere afnemers bewust niet kiest voor het warmte-alternatief. Ook kunnen er later spijtoptanten van warmtenetaansluitingen bijkomen gelet op onderpresteren en/of de ermee verbonden kosten en tarieven. Het bijeenplaatsen van bedrijfsactiviteiten op industriële schaal, die met elkaar de warmtegrootafnemers vormen, nabij de warmte-opwekbronnen in het havengebied is energetisch rationeel (nauwelijks warmteverliezen en een goedkoop netwerk) en het past qua industriële bedrijvigheid goed bijeen. Vertical Farming en andere tuinbouw-oplossingen zouden hierdoor mogelijk extra kansen kunnen krijgen. Een eerste verkenning naar tuinbouw-inpassing in het havengebied was er al in 2011 44. Er ligt hier een uitdaging voor een haalbaarheidsstudie. Het voorgaande is geen uitputtende verhandeling over bestaande of toekomstige opties met potentie. Zo is kernenergie niet genoemd, omdat hierover niet op gemeentelijk niveau beslist wordt, terwijl het door de nieuwe ontwikkelingen (zoals thorium reactoren) een kansrijke optie lijkt 45 . Het aspect energie-innovatie is eveneens belangrijk; hoe volg je de ontwikkelingen, op welke wijze spelen we daarop voldoende in en wat doen we zelf actief om dit verder te brengen? We moeten nu wel handelen met inzichten, voorkeuren en technologieën van het heden, maar wel flexibel blijven om in te spelen op innovatieve opties in de toekomst. Zienswijze energietransitie 1. Energietransitie mag geen alles overheersende prioriteit zijn. Het is één van de ontwikkelingsvisies die qua impact en oplossingen afgewogen worden binnen de ruimtelijke structuur van ‘verbonden dorpen in het groen’. 44 Glastuinbouw in de Rotterdamse haven; Utopie of Toekomstbeeld? Stageverslag van Xplorelab, provincie ZuidHolland, in samenwerking met nHtV internationale hoger onderwijs Breda (ruimtelijke ordening & planologie) en transForum, 2011 https://edepot.wur.nl/176445 Enkele citaten: ‘ Uit dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat er interessante mogelijkheden zijn voor glastuinbouw in het havengebied. Met innovatief ondernemerschap en bestuurlijke wil zijn er mogelijkheden te vinden. Het havengebied van Rotterdam leent zich niet voor alle vormen van glastuinbouw. Er zijn vooral kansen voor het middensegment. Dit wil zeggen voor kassen of clusters van kassen van +/- 6 ha. Dit segment is vooral gericht op de sierteelt. Het segment kent een hogere toegevoegde waarde dan bijvoorbeeld groenteteelt per m2 waardoor de hogere vestigingskosten te verantwoorden zijn. Daarnaast heeft de sierteelt voordelen bij de logistieke ligging in de haven.’ ‘Op technisch en duurzaam vlak zijn er in de haven veel synergievoordelen te behalen. Er zijn kansen voor gebruik van restwarmte van industrieën en gebruik van (schone) co2-resstromen van de ocap.’ 45 Kernenergie https://www.tudelft.nl/energy/onderzoek/kernenergie ‘Vierde generatie kernreactoren. Nieuwe typen kerncentrales zoals de Hoge Temperatuur Reactor en de Gesmolten Zout Reactor zijn inherent veilig en gaan zeer zuinig om met splijtstof. Daardoor kunnen beide reactortypen naast uranium ook thorium als brandstof gebruiken, wat in potentie veel minder langlevend kernafval oplevert.’ 18 2. Zorg voor beter kwantitatief en financieel inzicht in onzekerheden en risico’s van technologische oplossingen zoals warmtenetten en waterstof. Financiële tegenvallers bij dergelijke projecten mogen niet afgewenteld worden op inwoners. 3. Bij energietransitie spelen een belangrijke rol: doeleffectiviteit, efficiëntie, haalbaarheid, betaalbaarheid, eerlijke lusten-lastenverdeling en onderkenning en beheersing van risico’s. Geef inzicht in deze aspecten bij het opstellen van energietransitie-plannen per wijk of gebied. 4. Richt je in Pijnacker-Nootdorp bij reductie- en het verduurzamen van energiegebruik tegelijk op alle sectoren (tuinbouw, overige bedrijven, woningen, overheid) en beschikbare maatregelen. Richt hiervoor een energieboekhouding in en stel compensatie als voorwaarde bij een toename in verbruik. 5. Stimuleer zonnepanelen op daken waar dat mogelijk is. 6. De Energiemix (= het zelf opwekken versus importeren) is geen zelfstandig doel en draagt, op zichzelf genomen, ook niet bij aan daadwerkelijke CO2-reductie. Focus hierop kan suboptimalisatie in de hand werken, zoals te veel ruimtebeslag voor zonnepanelen in glastuinbouwgebieden, die daar een nuttiger bestemming verhindert voor de langere termijn. Beter is het om te sturen op het maximale eindeffect (CO2- reductie) tegen de laagste kosten, de minste lokale hinder en het minste ruimtegebruik. 7. Omgevingskwaliteit en natuur mogen niet lijden onder de energietransitie, maar behoren er mee vooruitgeholpen te worden. 8. Hanteer bij de energietransitie het natuur-en landschapsinclusief handelen als randvoorwaarde bij plaatsbepaling, inrichting en gebruik van energienetwerken 46 . Windturbines en zonnepanelen passen niet in ons kwetsbare natuur- en buitengebied. Maar ook elders in onze gemeente zijn de kansen gering indien de voor- en nadelen in beschouwing worden genomen. De instemming van minimaal de omwonenden is een vereiste voordat plannen en afspraken worden gemaakt 47 . Noot: De vertegenwoordiger van NMP is niet per se tegen plaatsing van windmolens, als dit nodig is voor het halen van onze klimaatdoelen. Alternatieve vormen van energieopwekking met minder tot geen impact op landschap en natuur dienen voorrang te krijgen boven windmolens. 9. Benoem en bewaak risico’s en onzekerheden en stuur daarop. Dit zou een apart deel van een actueel werkend overall dashboard en monitoringsysteem moeten zijn. 10. Zet vol in op energietransitie met de nu beschikbare, betaalbare oplossingen. Als zich in de toekomst innovatieve ontwikkelingen aandienen, maak daarvan dan gebruik bij de verduurzamingsopgave. 11. De energietransitie heeft flinke impact voor inwoners en ondernemers. Relevante factoren voor het slagen van deze transitie zijn onder andere transparante informatie, betaalbaarheid en draagvlak. Investeer per overzienbaar project in een open dialoog met inwoners en ondernemers met werkelijke keuzevrijheid en inbreng 48. Want zover zijn we niet op basis van wat toe nu toe aangereikt is door de overheid 49 en/of in het gemeentelijk plan. Ook het EU energietransitie-traject gaat gepaard met vraagtekens qua inhoud en 46 https://www.pbl.nl/sites/default/files/downloads/pbl-2019-zorg-voor-landschap-3346_0.pdf 47 Wind- en zonneparken in ons kwetsbare landschap toelaten staat op gespannen voet met het behoud van de natuur en omgevingskwaliteit. Toch staat in de Energietransitievisie het voornemen om 50 ha te bestemmen voor zonnepanelen. Op welke plekken is zoveel restruimte beschikbaar? 48 ‘The smart way to keep people passive and obedient is to strictly limit the spectrum of acceptable opinion, but allow very lively debate within that spectrum—even encourage the more critical and dissident views. That gives people the sense that there’s free thinking going on, while all the time the presuppositions of the system are being reinforced by the limits put on the range of the debate’. Chomsky bespreekt het door politiek en overheid voorspannen van gedachten en oplossingen waardoor de burger ‘oplossing-getunneld’ wordt. Bron: Professor Noam Chomsky https://en.m.wikipedia.org/wiki/Noam_Chomsky 49 De klimaattafels waren zonder burger- en zonder deskundigen inbreng; ‘van het gas af’ is niet cijfermatig onderbouwd en elders in de EU stimuleert men juist het omgekeerde. Bovendien kan het duur uitpakken. Zie hierover: ‘Woningen van het gas? Daar krijg je spijt van’, Prof. D. Smeulders, TU/e- Eindhoven, 2018 https://www.binnenlandsbestuur.nl/ruimte-en-milieu/nieuws/woningen-van-het-gas-daar-krijg-jespijtvan.9598304.lynkx en https://www.ed.nl/eindhoven/hoogleraar-tu-eindhoven-nu-van-het-gas-af-leidtalleentot-meer-CO2-uitstoot~ac68cdb4/?referrer=https://www.google.com/ 19 redelijke lastenverdeling 50 . Laten we dat lokaal beter doen via inzichtelijke, realistische en eerlijke oplossingen. 13. Haalbaar, betaalbaar en eerlijk zijn randvoorwaarden bij maatregelen voor energietransitie. Definieer eerst deze begrippen en gebruik ze vervolgens om daaraan maatregelen te toetsen. Daarnaast is een toets nodig van de volgende tweetallen: ‘de doel-effectiviteit’ en de ‘oplossing- en kosten-efficiëntie’. 14. Het kleinste deel van het energiegebruik (namelijk dat van de inwoners) krijgt nu volop de aandacht in de plannen. Maar de grootste component in het energiegebruik is afkomstig van bedrijfsmatige activiteiten, met name de glastuinbouw. Het grootverbruik is voor de gemeenschap uit beeld in de discussie en ook ten aanzien van de noodzakelijke verbeteringen, plannen, consequenties en monitoring. Het Milieuplatform pleit er voor om de gemeentelijke regierol evenwichtiger en gelijktijdig te richten op alle doelgroepen, dus ook de grootverbruikers. 5. Economie en werkgelegenheid De Omgevingsvisie positioneert als het gaat om bedrijvigheid vooral de glastuinbouw en minder de overige bedrijvigheden, waaronder de detailhandel 96 . Terwijl de overige bedrijvigheden met elkaar in 2019 90% van de lokale werkgelegenheid (banen) bieden en toekomstkansen hebben 97. De 8 % arbeidsinzet in de agrarische sector wordt grotendeels bepaald door de tuinbouwsector, voor een groot deel bestaande uit laagwaardige arbeid die voor een deel wordt verricht door arbeidsimmigranten 51 . Inwoners zetten in hun prioriteitenlijstje de waardering voor de economie en de werkgelegenheid op de voorlaatste plaats. Het is zinvol om na te gaan of dit bijvoorbeeld is ingegeven door het forensenkarakter en regiofunctie van onze gemeente, de relatief geringe toekomstkansen of de nadelige bijeffecten op de omgeving. Antwoorden op deze vragen kunnen richting geven aan de visie op de lokale economie. De Omgevingsvisie denkt een negatieve perceptie van de tuinbouwsector te kunnen ondervangen via meer sociale betrokkenheid van de glastuinbouw bij verenigingen, het meegroeien met de beroepsbevolking 102, het verduurzamen en meer innovatie 103 . Zoals eerder opgemerkt, is de overige bedrijvigheid (= 90% van de bedrijvigheid in Pijnacker-Nootdorp) over een reeks van jaren een groeisector geweest met een werkaanbod dat aansluit bij het lokaal/regionaal beschikbare arbeidspotentieel. Mede op basis van CBS-cijfers is het aannemelijk dat het arbeidsinkomen per werknemer in deze sector gemiddeld genomen beter is, de toegevoegde waarde per oppervlakte-eenheid hoger en het energieverbruik per oppervlakte-eenheid veelal relatief laag. Waarom krijgt de potentie van deze overige, lokale bedrijvigheid zo weinig aandacht in de Omgevingsvisie? De gemeentelijke inkomsten komen voornamelijk van de inwoners en minder van de lokale bedrijven. Niet duidelijk is of een redelijk evenwicht bestaat tussen de gemeentelijke baten versus kosten en de inzet voor specifieke bedrijfssectoren zoals de glastuinbouw en de overige bedrijvensectoren. Kan de gemeente dit inzicht geven? De tuinbouw in onze omgeving kenmerkt zich onder andere door de volgende factoren108: 50 Ter illustratie: onze burgergasprijzen zijn door overheidsingrijpen de hoogste in de EU. Vervolgens koppelen we daar warmte-oplossingen aan en zo trekken we de warmtetarieven mee naar boven! Energieprijs-monopolie,zoals nu gehanteerd door de overheid in Nederland, is geen zuiver instrument. Inwoners kunnen het niet ontgaan (geen echte keuze meer mogelijk). Bedrijven claimen bij de overheid prijsmitigatie om internationaal concurrerend te blijven. Velen begrijpen het niet meer en ervaren de gang van zaken niet ‘als redelijk en verstandig overheidshandelen’. 51 Deze komen hier naartoe omdat in het herkomstland onvoldoende werkkansen zijn. De EU heeft te weinig oog voor het toewerken naar een betere geografische match van vraag en aanbod bij werkgelegenheid. Dat leidt tot een onwenselijke ‘volksverhuizing’, met ruimtelijke leegloop enerzijds en ophoping elders anderzijds. Zonder aansturing zal het alleen maar erger worden. 20 a. Glastuinbouw benut in onze gemeente 730 ha. bruto. Dit is 19% van het totale oppervlak van de gemeente. De bijeffecten zijn onder andere lichthinder, waterverontreiniging, inklemming van woongebieden, kwetsbare omgevingen en wegen belast door vrachtverkeer. b. De productie-output is voor een groot deel voor export bestemd en heeft bij de snijbloemen een beperkte gebruiksduur, waarna het product wordt weggegooid. Toch vergt een dergelijk product productietechnisch een hoge energie-input per m2 . In vergelijking met woningen en andere bedrijvigheid in onze omgeving is het aanmerkelijk hoger. De WUR voorziet verdere belichtingsintensivering (waardoor extra elektraverbruik) en daarnaast een daling bij de warmtevraag. De CO2 emissiedaling in de glastuinbouw is vanaf 2014 vrijwel gestopt, zo blijkt uit landelijke statistieken en onderzoek 109 . c. De arbeidsinzet is voornamelijk laagwaardig en sluit niet aan bij het lokale en regionale aanbod. Personeel wordt daarom via uitzendbureaus vanuit voornamelijk Oost-Europa aangetrokken. 96 De voornaamste vestigingssector bij bedrijven in Pijnacker-Nootdorp is de dienstverlening (totaal circa 50%), terwijl de sector land & tuinbouw goed is voor 8% van de banen. De laatstgenoemde sector laat de afgelopen jaren geen stijging van het aantal banen zien en de werkgelegenheid en de arbeidsvraag zijn voornamelijk laaggeschoold. https://pijnacker-nootdorp.incijfers.nl/dashboard/banen-en-vestigingen Wat betreft het algemene opleidingsniveau heeft Pijnacker-Nootdorp t.o.v. andere gemeenten in de regio en Nederland een relatief hoog percentage aan HBO/WO-studerenden en/of opgeleiden. Bronnen: Gemeente op maat, Pijnacker-Nootdorp, CBS 2011, blz. 18 en 23 en https://allecijfers.nl/gemeente/pijnacker-nootdorp/ 97 Het zou goed zijn als Pijnacker-Nootdorp zich meer zou richten op innovatieve bedrijvigheid. Hoogwaardige kenniscentra in de regio bieden ons spin-off potentie, die we kunnen oppakken via wervende vestigingsfaciliteiten in een aantrekkelijke leefomgeving. 102 Voor het gros van de inwoners zijn er op korte of langere termijn in de tuinbouwsector onvoldoende arbeidskansen op aantrekkelijk niveau, tenzij in die sector structureel een ommezwaai plaatsvindt naar innovatie met hoogwaardiger werk en toegevoegde waarde. Daar is echter nog niet in voorzien. Het is daarom te verwachten dat er voor inwoners vooral arbeidskansen liggen bij andere lokale bedrijfssectoren en elders in de regio. De gemeente zou dit aandachtspunt moeten oppakken. 103 Zie Ontwerp Omgevingsvisie, blz. 31, versie mei 2021: De bedrijventerreinen en (glas)tuinbouwgebieden grenzen aan of maken deel uit van de kernen. Deze relatie willen we richting 2050 versterken. Door te werken aan betere verbindingen tussen de kernen, het groen en de economische clusters in de vorm van onder andere fietspaden, groene zones en energie-uitwisseling wordt overlast die nu soms nog wordt ervaren omgezet in begrip en waardering. Dat geldt ook voor de sociale samenhang. De bruisende centra waar de hechte gemeenschap mede wordt gevormd, is de thuisbasis van veel ondernemingen. De (glas)tuinbouwbedrijven bieden werk aan mensen van binnen en buiten onze gemeente ‘Tuinders zijn betrokken bij het verenigingsleven en dragen bij aan maatschappelijke opgaven door middel van innovatie (digitalisering, verduurzaming, kortere ketens enz.). Met elkaar geven we de bedrijven ruimte om te ondernemen. De glastuinbouw blijft anticiperen en zich ontwikkelen en de economische activiteit groeit tot 2025 mee met de beroepsbevolking.’ 21 De Nederlandse tuinbouw is nog steeds een topspeler op de wereldmarkt, in het bijzonder op het gebied van hoogwaardige snijbloemen. Dit is op basis van de kwaliteit van de primaire productie, het professionele handelsen distributiesysteem en de productinnovaties. We zien echter dat andere landen steeds meer in opkomst zijn over het gehele assortimentsbereik. Echte schaalvergroting in Nederland moet veelal buiten Zuid-Holland plaatsvinden. Want in onze provincie ontbreekt het aan passende opschalingsruimte. Mede door de lange historie kenmerkt de tuinbouw in Zuid-Holland zich door versnippering en minder aangepast aan ruimtelijke ontwikkelingen. Om de sectorvitaliteit op een voldoende duurzaam en competitief niveau te brengen zijn structurele aanpassingen noodzakelijk 52. Deze structurele aanpassingen binnen en buiten onze gemeente zouden een item in de Omgevingsvisie moeten zijn. Het Milieuplatform mist dit echter. Verderop in dit hoofdstuk citeren wij enige deskundigen om toch enig toekomstbeeld op te roepen. Historisch gezien is de tuinbouw met name ontstaan in gebieden dicht bij steden als afzetmarkten. Zo waren transport en distributie snel en niet duur. Transport over water was daarbij het belangrijkste. Tegenwoordig is het assortiment veel uitgebreider, is de export belangrijker, gaat het transport via vliegtuig, vrachtauto en trein wereldwijd. Hierdoor is de locatiekoppeling met dorpen en steden erom heen in verband met lokale afzet minder noodzakelijk. Logistieke infrastructuren, netwerkverbanden en ICT zijn en blijven de belangrijke succesvoorwaarden. De WUR heeft onderzoek gedaan naar de areaalomvang en de energietransitie in Oostland en Westland. De WUR schat voor Pijnacker-Nootdorp in haar scenario’s ‘optimistisch – pessimistisch’ een areaal krimp tussen 4 en 29% in voor de periode tot 2030 53 en becijfert dat op tussen de 312-421 ha aan bijpassend GTB-oppervlak 54 . De gemeente houdt echter zonder uitleg vast aan 730 ha. bruto en dat oppervlak zou in de huidige situatie (2021) neerkomen op 350 ha. netto glasgebruik 114 . Pijnacker heeft net als in het Westland het nadeel dat haar tuinbouwgebieden historisch bij en tussen woonwijken zijn gegroeid, waardoor nu de ontwikkeling van nieuwe woonlocaties wordt bemoeilijkt en hoge verwervingskosten vraagt. Tegelijk ervaren tuinders omgevingsbeperkingen aan economisch noodzakelijke schaalvergroting. Elders is voor schaalvergroting meer ruimte beschikbaar, waaronder in Noord-Brabant en Zeeland 55 . In het Westland beziet men inmiddels deze opties voor schaalvergroting en ook in onze gemeente denken tuinders hierover na in het kader van hun toekomstige bedrijfsvoering. Blijvend aanpassen is in elke bedrijfssector geboden om competitief toekomstvast te blijven. Visionairs, deskundigen en politici hebben hun visies gegeven op trends en ontwikkelrichtingen in de glastuinbouw. Hierna volgen enkele citaten, ontleend aan interviews tijdens een internationaal congres in Rotterdam in 2020 56 : Niek Koning (NL, emeritus assistant professor of the Agricultural and Rural Policy Group WUR): The competitive advantage of Dutch farmers is eroding Adri Bom-Lenstra (NL,president of Greenport West Holland and Woody Maijers): 52 Integrale Visie Greenport Westland-Oostland 2020; De Samenwerkende gemeenten in de Greenport Westland-Oostland. 53 Bron: Oostlandse glastuinbouw zet koers naar 2030, Pepijn Smit en Nico van der Velden, Wageningen Economic Research Rapport 2019-066, blz. 29: De krimp van het areaal tussen 2015 en 2030 is geschat tussen 4% in het optimistische scenario tot 29% in het pessimistische scenario. De krimp is in alle drie de scenario’s het grootst in het kwadrant A (= Pijnacker-Nootdorp), hoofdzakelijk door de complexiteit van reconstructie en gebiedsmodernisering. De subsector bloemen neemt door (internationale) concurrentie in alle drie de scenario’s het meest in areaal af. In het pessimistische scenario daalt het totaal belicht areaal iets, in het gematigde en optimistische scenario groeit het. Qua aandeel groeit het belicht areaal in het Oostland van circa 40 naar 50%. 54 Oostlandse glastuinbouw zet koers naar 2030, 2019 Bron: https://edepot.wur.nl/494744 , blz. 49. 55https://www.groentennieuws.nl/article/9297722/wijziging-standpunten-meer-ruimte-voor-glastuinbouwentov-in-noord-brabant-en-zeeland/ en https://www.zlto.nl/belangenbehartiging/speerpunten/ruimtevoorglastuinbouw-en-tov 56 INTERNATIONAL FOOD AND AGRIBUSINESS MANAGEMENT ASSOCIATION (IFAMA). HIGHLIGHTS FROM IFAMA GOES DIGITAL 2020 – ROTTERDAM https://www.ifama.org/2020-rotterdam-highlights 22 ‘Dutch Horticulture should provide for local food and global expertise’ Sharing horticulture expertise in Europe will match Timmermans Green Deal perfectly Professor David Hughes (Canada, International Speaker on Global Food and Drink Industry Issues): Dutch horticulture as a remotely operated glocal multinational Post-covid nutrition: prepare for heavy duty regulation and urban vertical farming Rob Baan (the Steve Jobs of Dutch Horticulture; owner of Koppert Cress, a producer of micro vegetables. His personal mission: “Let’s look at fresh food and health in a different way.”): Get your act together, then export the Netherlands food system Professor Jan Rotmans over de GTB in ‘Greenport West Holland’ 57 118 119: „Op basis van de gewone innovaties is de Greenport heel goed bezig. Maar op het vlak van radicale innovatie, met andere producten je geld verdienen, verloopt het minder vlot. We produceren wel goed, maar niet de goede dingen. Als ondernemer is het daarom zaak nu een tweede lijn (schaduwlijn) te ontwikkelen. Je blijft dan je huidige dingen gewoon doen, maar ga je gelijktijdig afvragen waar je over 20 jaar je geld mee kunt verdienen. Het zijn niet de grootste of slimste bedrijven die overleven, maar de meest wendbare!” Al deze visies laten zien dat het niet proactief is om in te zetten op verdere schaalvergroting in Oost- en Westland. Het is toekomstbestendiger om met gebruik van onze expertise in andere gebieden op te schalen. Het gaat er om in Nederland te focussen op businesstransformatie naar hoogwaardiger producten en onze expertise internationaal te exporteren en te benutten. Dat bijeengenomen geeft meer toekomstmogelijkheden. Willen wij als Pijnacker-Nootdorp niet achterblijven bij deze trends en ontwikkelingen, dan moeten we eveneens opschuiven in de waardeketen. Dat gaat ook gepaard met een kleiner ruimtebeslag en kansen voor hoogwaardiger werkgelegenheid, meer aansluitend op het arbeidsaanbod in onze regio. Gebaseerd op het voorgaande en ervan uitgaande dat tuinders op basis van economische principes in een veranderende wereld tijdig mee willen gaan in een transformatie, beschrijven we hieronder een ruimtelijke visie die afwijkt van de Omgevingsvisie en vooral bedoeld is als ‘omdenken’ . Onze visie is illustratief. Niet bedoeld als zo moet het precies worden. Maar wel bedoeld als blikverruimend contrast met de aannames en opties in de Omgevingsvisie. Een alternatieve ruimtelijke toekomstvisie voor Pijnacker-Nootdorp • Bestemmingstransformatie van 50% van het huidige glastuinbouwareaal. We streven ernaar om de komende 25-30 jaar 50 % van het huidige glastuinbouwgebied te transformeren naar een situatie vergelijkbaar met het huidige beeld qua groen, woningdichtheid en bedrijvigheid. De extra bedrijvigheid bestaat uit zowel een aangroei van het cluster ‘overige bedrijvigheden’, als uit innovatieve tuinbouwbedrijven 58, die hoogwaardige prestaties leveren. Het effect hiervan is dat we extra ruimte creëren tussen onze kernen en ruimte voor de natuur. De milieubelasting is met circa 50% afgenomen en de toename in aantallen woningen en bedrijven is relatief beperkt. Onze warmteputten worden slimmer en zuiniger gebruikt 57 https://www.bpnieuws.nl/article/9055920/radicaal-innoveren-moet-maar-hoe/ Zie met name Rotmans daarover: ‘We produceren goed maar niet de goede dingen’ en: ‘Het zijn niet de grootste of slimste bedrijven die overleven, maar de meest wendbare’! De Conclusie: ‘Glastuinbouw moet radicaal veranderen’ https://greenportwestholland.nl/glastuinbouw-moet-radicaal-veranderen/ https://www.hortipoint.nl/vakbladvoordebloemisterij/burgemeester-wil-discussie-over-westlands-glasareaal/ 118 Onze kerncompetenties moeten zijn: innovatie, expertise en ondernemerskwaliteit. Dat levert de werkelijke potentie en meerwaarde, hoogwaardige arbeid en wereldwijde kansen op. Conserveren van het bestaande, ook met energietransitie erbij, is vrij kansloos in een open concurrerende wereldmarkt met ongelijke omgevingscondities. 119 Actieplan URGENDA https://www.urgenda.nl/themas/klimaat-en-energie/40-puntenplan/ 23 door een sterkere focus op ‘levensnoodzakelijke’ toepassingen. Met de vrijkomende warmteruimte kunnen we zo nodig onze buurgemeenten helpen. De elektriciteitsbehoefte en -problematiek zullen verminderen en daarmee ook een mogelijk lokaal opwekprobleem, in ieder geval in kwantitatief opzicht. Het percentage waarin onze gemeente in eigen-energieverbruik kan voorzien stijgt significant boven de 60%. Daarmee worden de ruimtelijke keuzes toekomstbestendiger, omdat we niet de kans lopen om extra taakstellende reducties in energieverbruik en -opwek van hogerhand opgelegd te krijgen. • Specifieke accenten Ontklem nu omklemde dorpen door tussengebieden weer voldoende vrij te maken via groene zones. Grootschalige bedrijven behoren zoveel als mogelijk op enige afstand van de dorpen en in groter verband te functioneren, voorzien van bijpassende infrastructuur 59 . Bedrijvenclusters zijn duurzaam, omgevings- en natuurvriendelijk ingericht en milieuvriendelijk. • Overige randvoorwaarden (illustratief, niet limitatief) Nieuwe en bestaande bedrijvigheden sluiten qua activiteiten en werkgelegenheid zo veel mogelijk aan bij de economische en sociale kenmerken van onze gemeente en versterken deze op harmonische en toekomstgerichte wijze. Nieuw te vestigen bedrijven veroorzaken geen milieuhinder ten opzichte van de omliggende woningen en reeds gevestigde bedrijven. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de toegestane maatregelen en activiteiten gelet op de impact van de bedrijvigheid op energieneutraliteit en de kwaliteit van de leefomgeving. Bedrijven en bedrijventerreinen (inclusief GTB) worden mede getoetst aan een ruimtelijke visie op lange termijn met als illustratieve uitgangspunten: 1. ten hoogste 70% van een gebied wordt voor bebouwing en noodzakelijke voorzieningen uitgegeven en tenminste 30% blijft groen ingericht; 2. minimaal 10% van het gebied wordt gebruikt voor water, zowel voor de natuur als voor de opslag in het kader van klimaatbestendigheid; 3. bedrijven (ook op bedrijventerreinen) voorzien mede in landschappelijke en ecologische taken door het leveren van xx m2 groen en belevingsnatuur per yy m2 productieoppervlak; 4. extra verkeersontsluitingen zijn afdoende en zonder afwenteling qua kosten (via koppeling tussen aanlegoogmerk en gebruiksnut) aangelegd; Zienswijze op Economie en Werkgelegenheid 1. Kies voor een toekomstbestendige ontwikkeling die voor de gemeenschap als geheel de beste vooruitzichten biedt. Dit vraagt om een hogere toekomstambitie dan nu in de Omgevingsvisie staat. Bedrijfssectoraanpassing en stimulering van nieuwe sectoren kunnen de lokale arbeidsvraagmix verbeteren en nieuwe werkgelegenheid creëren. Dat vergt stimulering van deze ontwikkeling en transitiemaatregelen voor bedrijven die minder passen in het toekomstplaatje 60 . Mogelijk gevolg van deze benadering voor de bedrijvigheid met het grootste ruimtebeslag is het stoppen met schaalvergroting en -massaproductie ten gunste van innovatieve, kleinere en flexibele bedrijven met meer diversiteit in producten en diensten. 2. Onderzoek een alternatieve ruimtelijke visie, die uitgaat van een reductie van 50% van het glastuinbouwoppervlak en geef daaraan een herbestemming voor doeleinden die aansluiten bij de 59 Vergelijk opzet 3B-driehoek Lansingerland en ook andere bedrijvenclusters, al dan niet GTB 126 https://www.change.inc/mobiliteit/nederland-wordt-het-silicon-valley-voor-vertical-farm-systems-2901 60 ‘Versnelling van transitie is noodzakelijk om de toppositie te behouden. Slimme specialisaties en nieuwe verdienmodellen zijn noodzakelijk om de internationale concurrentiestrijd aan te kunnen. Er is een transitie nodig van het tuinbouwcluster van bulkproductie naar een duurzaam, circulair en bio-based cluster, dat op mondiale schaal toonaangevend en innovatief opereert. Kernpunten hierbij zijn kennis, toegevoegde waarde en innovatieve concepten’. Bron: Programma Zuid-Hollandse Economie 2019 – 2022, uitgave 2019, blz. 33 24 behoeften en wensen, die inwoners hebben geuit in het kader van het participatieproces. De insteek hierbij is een nog aantrekkelijker leefomgeving te realiseren, met betere kansen voor wonen, werken, natuur en recreëren. Noot: De vertegenwoordiger van LTO Glaskracht kan zich in dit en volgende punten niet vinden. 3. De beoogde energieverduurzaming wordt zo gemakkelijker te realiseren, omdat de opgave substantieel verkleint zowel in absolute getallen als in voorzien ruimtebeslag. 4. Creëer voorwaarden voor een vitale en duurzame glastuinbouw die past bij ecologische structuren en bijdraagt aan de omgeving. Minimaal houden we voldoende glasruimte over voor onze bijdrage aan de voedselproductie in de regio. 5. Onderzoek welke de effecten zijn van slimmere teeltechnieken zoals ‘Vertical Farming’ 126 . 6. Onder andere via goede regiocontacten bevorderen we de vestiging van economische bedrijvigheid, die voldoet aan de criteria van Profit, People, Planet 61 62 . Natuur-inclusief bouwen, perceelruimten omgevingsneutraal en natuurvriendelijk inrichten en een circulaire bedrijfsvoering horen bij deze benaderingswijze. 7. Verwerk het bovenstaande in een thematisch economie- en werkgelegenheidsprogramma en veranker het in een uitvoeringplan. Slot De gemeente Pijnacker-Nootdorp is de afgelopen 30-50 jaar in vele opzichten sterk gewijzigd. Deze veranderingsdynamiek zal blijven bestaan voor wat betreft bijvoorbeeld bevolkingsomvang en -samenstelling, werkgelegenheid en ruimtebeslag. Deze dynamiek heeft er ook toe geleid dat het agrarisch productie-landschap’ in onze gemeente de nevenfunctie van ‘natuur- en recreatieondersteuning’ heeft gekregen. In het bestemmingsplan Duurzame Glastuinbouwgebieden (2012) is daar ook van uit gegaan, maar de praktische invulling ervan heeft nog niet geleid tot het beoogde doel. Knelpunten kunnen optreden doordat ruimtelijke aanspraken en benutting elkaar in de weg zitten. Terug naar het verleden is onhaalbaar. Met elkaar stappen vooruit maken is een complexe uitdaging. De fysieke inrichting van de ruimte in de Omgevingsvisie is een mogelijk kompas, rekening houdend met toekomstige ontwikkelingen in de maatschappij en economie, maar ook met de verwachtingen en toekomstbeelden van de inwoners. De inbreng van inwoners en anderen bij de consultatie over de bouwstenen van de Omgevingsvisie geeft mede richting voor de aan te houden koers. Aan groen, natuur en passende woonruimte geven onze inwoners prioriteit. De lokale bedrijvigheid scoorde minimaal bij de inwoners. Komt dat misschien door te weinig inzicht in geboden perspectief en/of een onvoldoende match met de fysieke leefomgeving? De gemeentelijke visie op de Energietransitie hanteert als vertrekpunten: zinvol, effectief, behapbaar, betaalbaar en draagvlak. Afwenteling van financiële risico’s vanuit de bedrijvensector op de burgers moet worden vermeden via zorgvuldige en transparante kostenplaatjes. Bedrijven en bewoners moeten worden uitgedaagd substantieel bij te dragen aan haalbare en betaalbare reductiemaatregelen, productie door middel van zonne-energie en andere verbeteropties. Tenslotte hoort hier een gedragsverandering bij die het voorgaande ondersteunt en de reductie vergroot. Onze GTB-expertise en daadkracht verdient meer kansen en uitbreidingsruimte dan wat lokaal inpasbaar is. Dat laatste is in de gemeentelijke visie nog onvoldoende aan bod gekomen en verdient meer aandacht. 61 Maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) = omgevinginclusief economisch handelen als verplichte randvoorwaarde en legitimatie voor het winststreven. MVO-criteria: Profit: goederen en diensten voort-brengen met meerwaarde als maatstaf voor de maatschappelijke waardering ervan; People: de gevolgen voor mensen en maatschappij binnen en buiten de onderneming; Planet: de effecten op het natuurlijke leefmilieu. 62 Dat betekent dat bedrijven aantoonbaar aan de omgeving bijdragen en qua activiteiten voldoende aansluiten op behoeften, mogelijkheden, noodzakelijkheden en wenselijkheden van die omgeving en van de mensen aldaar. Afwenteling van de lasten, zoals hinder, dient te worden voorkomen dan wel te worden gecompenseerd. 25 De gemeente Pijnacker-Nootdorp zou er goed aan doen om zich wat vrijer te maken van het heden en meer toekomstambitie te tonen in haar Omgevingsvisie. Grijp sectorveranderingen in met name de sector met het grootste ruimtebeslag aan als een unieke kans om bakens (juist ook ruimtelijk) te verzetten en daarmee een toekomstsprong voorwaarts te maken die de gehele gemeenschap helpt. Hopelijk kan deze zienswijze daaraan bijdragen bij de verdere besluitvorming en behulpzaam zijn voor de gemeenteraad bij haar richtinggevende en besluitvormende rol namens de gemeenschap. Pijnacker-Nootdorp, juli 2021

Geacht College,

Hierbij geeft het Milieuplatform u zijn zienswijze met betrekking tot zowel de ontwerp Omgevingsvisie als het ontwerp Energietransitieplan. In de bijgaande notitie is onze zienswijze nader toegelicht en onderbouwd. Onderstaand treft u een samenvatting van onze zienswijze per thema aan.

Zienswijze burgerparticipatie

  1. Het is goed dat bij de afweging in de besluitvorming de uitkomsten van de enquête over Panorama 2050 als bouwstenen voor de Omgevingsvisie 2050 worden gehanteerd. Dit leidt tot de volgende prioriteiten: 1. Groen Pijnacker-Nootdorp (38%) 2. Thuis in Pijnacker-Nootdorp (20%) 3. Gezond en sociaal Pijnacker-Nootdorp (13%) 4. Veilig Pijnacker -Nootdorp (10%) 5. De identiteit van Pijnacker-Nootdorp (7%) 6. Duurzame energie Pijnacker-Nootdorp (6%) 7. Bereikbaar Pijnacker-Nootdorp (4%) 8. Het glas van Pijnacker-Nootdorp (1%) 9. Aan de slag in Pijnacker-Nootdorp (< 1%).
  2. Gebruik de Omgevingsvisie als een kompas: niet alleen om een bepaalde koers stabiel aan te houden, maar ook om andere wegen in te gaan naar nieuwe doelen, die rekening houden met prioriteiten, die door onze inwoners zijn aangegeven voor de toekomst.
  3. Laat in de Omgevingsvisie duidelijker uitkomen welke kansen, bedreigingen en dilemma’s er zijn en wat daarbij ‘hard en zacht’ is. Geef daarbij aan hoe daarmee in de toekomst om te gaan en welke rol burgerparticipatie daarbij kan spelen.
  4. Leg een hogere ambitie neer in de Omgevingsvisie en gebruik daarbij de tijd als bondgenoot om fundamenteler ruimtelijk te veranderen en te verbeteren.
  5. Zorg voor het periodiek toetsen aan een helder lijstje met vooraf vastgestelde criteria.
  6. Maakt de Omgevingsvisie concreter op hoofdpunten.
  7. Geef aan met welke frequentie de Omgevingsvisie wordt geëvalueerd en bijgesteld en hoe de democratische inbreng van de gemeenschap daarbij wordt geregeld.

Zienswijze natuur en het groen

  1. Het concept van ‘Verbonden dorpen in het groen’ ziet het Milieuplatform als het uitgangspunt voor een doelgerichte ruimtelijke prioritering en (her)structurering. Dit past volledig in het Burgerinitiatief ‘Visie op het Groen’, zoals in mei 2021 aan de gemeenteraad is voorgesteld. Stel als uitwerking hiervan met voorrang een thematisch omgevingsprogramma ‘natuur en biodiversiteit’ op. Het belang hiervan wordt nog eens aangetoond door de planMER, die aangeeft dat een aanscherping nodig is van de (ontwerp) Omgevingsvisie op de ontwikkellijn ‘Onderscheidend groen’.
  2. Maak extra ruimte voor groen en natuur. Niet alleen kwantitatief op basis van groennormen bij bijvoorbeeld nieuwe woningbouw, maar vooral ook kwalitatief om de biodiversiteit te verbeteren. Ontzie de natuur en haal achterstanden in. Dit is nodig omdat recreatie- en woningdruk vanuit de omliggende stedelijke omgeving alleen maar zullen toenemen. Zorg voor ecologiesamenhang, verbetering van biodiversiteit en waterbuffering!
  3. Door de Buytenhouttafel is in een unieke samenwerking tussen burgers, organisaties en gemeente de gebiedsvisie Buytenhout West ontwikkeld. Deze visie is opgeleverd als input voor de Omgevingsvisie. Het Milieuplatform adviseert om voor Buytenhout samen met de betrokken gemeenten een omgevingsplan uit te werken. Dit kan dienen als een pilot voor het opstellen van een omgevingsplan voor een natuur- en recreatiegebied.
  4. Maak meer gebruik van lokale expertise over de sterke en zwakke punten in de natuur van Pijnacker-Nootdorp. Benut inbreng van inwoners en burgerinitiatieven. Inventariseer de kansen en bedreigingen met ondersteuning van natuur- en milieuorganisaties.
  5. Stimuleer dat inwoners hun tuinen meer ‘vergroenen’ in plaats van ‘verstenen’. Denk behalve aan communicatie en voorlichting ook aan een financiële stimulans of kwantitatieve regels om dit te bereiken.
  6. Concentreer natuur niet voornamelijk in onze drie grote gebieden, maar breidt het uit tot in, tussen en rond onze vier woonkernen, bedrijfsterreinen, glastuinbouwgebieden en openbate terreinen. Zo bevorder je ecologische samenhang en de kansen op herstel van biodiversiteit.
  7. Voor een robuuste ecologie van de groene gebieden zijn ecologische verbindingen van groot belang. In de Omgevingsvisie dient concreter aangegeven te worden waar deze zullen worden gerealiseerd.
  8. Zorg in natuur- en groengebieden voor permanente en tijdelijke stiltegebieden.
  9. Stel eisen aan beperking van licht- en geluidshinder. Wijs gebieden aan waar een donkerteregime heerst en de uitstraling van lichtbronnen afdoende wordt beperkt. Geef deze gebieden concreet aan op een kaart!
  10. Natuur-, omgevings- en landschapsinclusief inrichten en handelen hoort een vanzelfsprekende opdracht voor bewoners en ondernemers te zijn en niet alleen voor de gemeente. Biedt als gemeente de faciliteit dat bewoners en ondernemers hun plannen door een deskundige kunnen laten toetsen aan de criteria voor natuur-, omgevings- en landschapsinclusief bouwen en inrichten.
  11. De gevolgen voor de fysieke leefomgeving van de invulling van de energietransitie, bijvoorbeeld in de vorm van leidingen, geothermiebronnen, windturbines en zonnepaneelvelden, vragen om een integrale afweging tussen alle thema’s om zo te komen tot een duurzame en toekomstbestendige Omgevingsvisie.
  12. Werk de bovenstaande punten SMART uit in een thematisch omgevingsprogramma ‘natuur en biodiversiteit’, dat de basis vormt voor omgevingsplannen voor de groene gebieden. Maak vervolgens een beheerplan per gebied, dat is afgestemd op de specifieke doelen.

Zienswijze wonen

  1. Versterk cultuurhistorische lijnen en elementen, gebiedseigen bebouwingskarakteristieken en ecologische verbindingen. Stimuleer biodiversiteit, rust- en ruimtebeleving.
  2. Let goed op de landschappelijke ontwikkelingen langs de linten in het buitengebied, want daar ontstaat ‘verrommeling’ als gevolg van de toepassing van de ruimte-voor-ruimte regeling.
  3. Zet in op differentiatie in realisering van woonruimten: huur en vrije sector, goedkoop en duur, groot en klein woonoppervlak, variatie in passende bouwstijlen, wel en niet gestapelde bouw, voor verschillende doelgroepen.
  4. Het Milieuplatform is géén voorstander van extra toekomstige bouwopgaven boven op de aantallen, die nu al in de Omgevingsvisie zijn genoemd. Ontwikkel tijdig strategische argumentatie om tegendruk te geven als in de toekomst de externe druk om nog méér woningen te bouwen groot wordt. Baseer die argumentatie onder andere op de rol van Pijnacker-Nootdorp als ‘aanbieder van rust en ontspanning in het groen’ voor inwoners van onze regio.
  5. Voorkom met afdoende maatregelen dat onroerend goed exploitanten koopwoningen aan de beoogde ‘eigen’ woonbestemming kunnen onttrekken.
  6. Hanteer bij realisering van nieuwe woongebieden de norm van 75 m2 groen per woning conform de landelijke Nota Ruimte.

Zienswijze energietransitie

  1. Energietransitie mag geen alles overheersende prioriteit zijn. Het is één van de ontwikkelingsvisies die qua impact en oplossingen afgewogen worden binnen de ruimtelijke structuur van ‘verbonden dorpen in het groen’.
  2. Zorg voor beter kwantitatief en financieel inzicht in onzekerheden en risico’s van technologische oplossingen zoals warmtenetten en waterstof. Financiële tegenvallers bij dergelijke projecten mogen niet worden afgewenteld op inwoners.
  3. Bij energietransitie spelen een belangrijke rol: doeleffectiviteit, efficiëntie, haalbaarheid, betaalbaarheid, eerlijke lusten-lastenverdeling en onderkenning en beheersing van risico’s. Geef inzicht in deze aspecten bij de energietransitie-plannen, die per wijk of gebied worden ontwikkeld.
  4. Richt je in Pijnacker-Nootdorp bij reductie- en het verduurzamen van energiegebruik tegelijk op alle sectoren (tuinbouw, overige bedrijven, woningen, overheid) en beschikbare maatregelen. Richt hiervoor een energie-boekhouding in en stel compensatie als voorwaarde bij een toename in verbruik.
  5. Stimuleer zonnepanelen op daken waar dat mogelijk is.
  6. Pas met het oog op energiebesparing actief artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer toe.
  7. De Energiemix (= het zelf opwekken versus importeren) is geen zelfstandig doel en draagt, op zichzelf genomen, ook niet bij aan daadwerkelijke CO2-reductie. Focus hierop kan suboptimalisatie in de hand werken, zoals te veel ruimtebeslag voor zonnepanelen in glastuinbouwgebieden, die daar een nuttiger bestemming verhindert voor de langere termijn. Beter is het om te sturen op het maximale eindeffect (CO2-reductie) tegen de laagste kosten, de minste lokale hinder en het minste ruimtegebruik.
  8. Omgevingskwaliteit en natuur mogen niet lijden onder de energietransitie, maar behoren er mee vooruitgeholpen te worden.
  9. Hanteer bij de energietransitie het natuur-en landschapsinclusief handelen als randvoorwaarde bij plaatsbepaling, inrichting en gebruik van energienetwerken.
  10. Benoem en bewaak risico’s en onzekerheden en stuur daarop. Dit zou een apart deel van een actueel werkend overall dashboard en monitoringsysteem moeten zijn.
  11. Zet vol in op energietransitie met de nu beschikbare, betaalbare oplossingen. Als zich in de toekomst innovatieve ontwikkelingen op het vlak van energietransitie aandienen, maak daarvan dan gebruik bij de verduurzamingsopgave.
  12. De energietransitie heeft flinke impact voor inwoners en ondernemers. Relevante factoren voor het slagen van deze transitie zijn onder andere transparante informatie, betaalbaarheid en draagvlak. Investeer per overzienbaar project in een open dialoog met inwoners en ondernemers met werkelijke keuzevrijheid en inbreng. Want zover zijn we niet op basis van wat toe nu toe aangereikt is door de overheid en/of in het gemeentelijk plan. Ook het EU energietransitie-traject gaat gepaard met vraagtekens qua inhoud en redelijke lastenverdeling. Laten we dat lokaal beter doen via inzichtelijke, realistische en eerlijke oplossingen.
  13. Haalbaar, betaalbaar en eerlijk zijn randvoorwaarden bij maatregelen voor energietransitie. Definieer eerst deze begrippen en gebruik ze vervolgens om maatregelen daaraan te toetsen. Daarnaast is een toets nodig van de volgende tweetallen: ‘de doel-effectiviteit’ en de ‘oplossing- en kosten-efficiëntie’.
  14. Het kleinste deel van het energiegebruik (namelijk dat van de inwoners) krijgt nu volop de aandacht in de plannen. Maar de grootste component in het energiegebruik is afkomstig van bedrijfsmatige activiteiten, met name de glastuinbouw. Het grootverbruik is voor de gemeenschap uit beeld in de discussie en ook ten aanzien van de noodzakelijke verbeteringen, plannen, consequenties en monitoring. Het Milieuplatform pleit er voor om de gemeentelijke regierol evenwichtiger en gelijktijdig te richten op alle doelgroepen, dus ook de grootverbruikers.

Zienswijze op Economie en Werkgelegenheid

  1. Zet als gemeente méér in op het stimuleren van en het ruimte geven aan ‘de nieuwe economie’. Kies voor een toekomstbestendige ontwikkeling die voor de gemeenschap als geheel de beste vooruitzichten biedt. Dit vraagt om een hogere toekomstambitie dan nu in de Omgevingsvisie staat.
  2. Bedrijfssectoraanpassing en stimulering van nieuwe sectoren kunnen de lokale arbeidsvraagmix verbeteren en nieuwe werkgelegenheid creëren. Dit vraagt om aansturing van deze ontwikkeling en transitiemaatregelen voor bedrijven die minder passen in het toekomstplaatje. Mogelijk gevolg van deze benadering voor de bedrijvigheid met het grootste ruimtebeslag is het stoppen met schaalvergroting en -massaproductie ten gunste van innovatieve, kleinere en flexibele bedrijven met meer diversiteit in producten en diensten.
  3. Onderzoek een alternatieve ruimtelijke visie, die uitgaat van een reductie van 50% van het glastuinbouwoppervlak en geef daaraan een herbestemming voor doeleinden die aansluiten bij de behoeften en wensen, die inwoners hebben geuit in het kader van het participatieproces. De insteek hierbij is een nog aantrekkelijker leefomgeving te realiseren, met betere kansen voor wonen, werken, natuur en recreëren. De vertegenwoordiger van LTO Glaskracht kan zich niet vinden in dit punt en de punten die hiermee samenhangen. De vertegenwoordiger wijst hierbij op het economisch belang van de tuinbouw en de inspanningen om te komen tot duurzame teelten.
  4. De beoogde energieverduurzaming wordt zo gemakkelijker te realiseren, omdat de opgave substantieel verkleint zowel in absolute getallen als in voorzien ruimtebeslag.
  5. Creëer voorwaarden voor een vitale en duurzame tuinbouw die past bij ecologische structuren en bijdraagt aan de omgeving. Minimaal houden we voldoende glasruimte over voor onze bijdrage aan de voedselproductie in de regio.
  6. Onderzoek welke de effecten zijn van slimmere teeltechnieken zoals ‘Vertical Farming’.
  7. Onder andere via goede regiocontacten bevorderen we de vestiging van economische bedrijvigheid, die voldoet aan de criteria van Profit, People, Planet. Natuur-inclusief bouwen, perceelruimten omgevingsneutraal en natuurvriendelijk inrichten en een circulaire bedrijfsvoering horen bij deze benaderingswijze.

Het Milieuplatform is graag bereid tot nadere toelichting van deze zienswijze.

Met vriendelijke groet,
Namens het Milieuplatform Pijnacker-Nootdorp,
Paul Clabbers
Deze brief is digitaal aangemaakt en daarom niet ondertekend.

Geacht College,

In ons advies over het Wijzigingsplan Katwijkerlaan 15, Pijnacker, gaf het Milieuplatform aan de
argumentatie en de beweegredenen voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid summier te
vinden. Bij een meer transparante toelichting op het wijzigingsplan zou een aantal vragen, die het
Milieuplatform heeft gesteld, overbodig zijn geweest. In uw reactie op ons advies erkent u dat ook en
zegt u toe de toelichting in die zin te zullen aanpassen.

Nu terugkijkend naar de procedure bij het Wijzigingsplan Meloenstraat 9, Pijnacker, constateren wij dat
zich hier een vergelijkbare situatie heeft voorgedaan wat de informatievoorziening in de toelichting
betreft.

In de toelichting d.d. 26 oktober 2020 bij het Wijzigingsplan Meloenstraat 9, Pijnacker, staan onder
andere de volgende passages:

‘Aan de Meloenstraat 9 te Pijnacker is een glastuinbouwbedrijf gevestigd. Ter plaatse worden diverse
soorten gerbera’s geteeld. De eigenaar wil het bedrijf uitbreiden en daartoe gronden aankopen van de
gemeente aansluitend aan de bestaande kas’.

‘Het plangebied bestaat uit kassen waar gerbera’s worden geteeld. De percelen 5231 en 5234 liggen
braak en zijn in eigendom van de gemeente. Ter uitbreiding van de bestaande kassen wil de eigenaar van Meloenstraat 9 (een deel van) de gronden van de gemeente aankopen’.

Uit uw beantwoording van raadsvragen die op 18 januari 2021 over dit Wijzigingsplan zijn gesteld, blijkt
echter, dat:

Eind 2019 zich drie kandidaten hebben gemeld voor de aankoop van de gronden achter
Meloenstraat 9/nabij Komkommerweg 6, te weten drie glastuinbouwondernemers in de directe
omgeving.

  • De gemeente in januari/februari 2020 een inschrijfprocedure heeft gehouden, waarna de
    aankoop werd gegund aan de huidige eigenaar van de gronden.
  • De gronden voor de zomer van 2020 geleverd zouden worden, maar deze levering eenmalig is
    Uitgesteld, omdat de bank door de coronacrisis meer tijd nodig had voor de financiering.
  • In oktober 2020 de gronden juridisch zijn geleverd.
  • In juli 2019 een principeverzoek is gedaan om een kas te plaatsen ter uitbreiding van het
    huidige bedrijf op een nog aan te kopen perceel (nabij Komkommerweg 6).
  • In oktober 2019 uitspraak is gedaan op het principeverzoek. In deze uitspraak is getoetst aan de
    voorwaarden die aan de wijzigingsbevoegdheid zijn gekoppeld. Met gebruikmaking van de
    wijzigingsbevoegdheid kan de te bouwen kas tot een afstand van 1 meter tot de zijdelingse
    perceelsgrenzen worden opgericht. In de brief, waarin op het principeverzoek is geantwoord, is
    aangegeven dat de aanvraag voldoet aan de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid en dat,
    onder de voorwaarde dat de gronden daadwerkelijk kunnen worden aangekocht, een
    wijzigingsplan kan worden opgesteld.

Het Milieuplatform stelt vast dat:

  • De passages in de toelichting op het Wijzigingsplan, inhoudend dat de eigenaar de gronden van de gemeente wil aankopen, onvolledig zijn, omdat de gemeente de aankoop reeds begin 2020 aan de huidige eigenaar had gegund.
  • De informatievoorziening in de toelichting op het Wijzigingsplan, betrekking hebbend op de
    reeds in oktober 2019 positieve reactie op het gedane principeverzoek, incompleet is.

Het bovenstaande toont aan dat de informatievoorziening in de toelichting op beide genoemde
wijzigingsplannen niet transparant is geweest. Het Milieuplatform is daardoor ‘op het verkeerde been
gezet’. Onze adviezen zouden deels anders zijn geweest, indien de toelichtingen de volledige informatie
over de gang van zaken en beweegredenen hadden bevat. Om onze rol als adviesorgaan adequaat te
kunnen vervullen hecht het Milieuplatform eraan dat de verstrekte informatie in toelichtingen e.d.
transparant en actueel is, zodat we tot zorgvuldige en evenwichtige adviezen kunnen komen.

Met vriendelijke groet,


Namens het Milieuplatform Pijnacker-Nootdorp,
Paul Clabbers
Deze brief is digitaal aangemaakt en daarom niet ondertekend

Geacht College,


Het Milieuplatform geeft u hierbij zijn zienswijze op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau
Omgevingsvisie Pijnacker-Nootdorp (NRD) d.d. 4 december 2020. De Omgevingsvisie beschrijft alle terreinen van de fysieke leefomgeving samenhangend en integraal. De samenhang impliceert dat inzicht moet bestaan in en afwegingen gemaakt moeten worden om gewenste ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving mogelijk te maken en ongewenste tegen te gaan. Het college kiest er voor om de elf strategische perspectieven (met subdoelen, indicatoren en criteria) van de Omgevingsvisie hiervoor als een (concept) strategische toekomstvisie voor de gemeente in 2050 als uitgangspunt te nemen.

Deze elf perspectieven zijn in panoramavorm voorgelegd aan de inwoners e.a. Die hebben daarop
gereageerd. In de NRD staat1 dat het participatieverslag als input zal dienen voor het PlanMER. Van
belang hierbij is of de elf perspectieven (deels) dienen te worden aangepast als gevolg van de inbreng
van inwoners e.a. Eerst moet duidelijk zijn of het participatieverslag leidt tot aanpassing van de elf
perspectieven en zo ja, op welke onderdelen herijking plaatsvindt. Dit is dan de basis voor het
toekomstbeeld 2050 voor het PlanMER.

Zienswijze: Participatieverslag

Het participatieverslag kan niet zondermeer als input voor het PlanMER dienen. Eerst hoort
beoordeeld te worden of het participatieverslag aanleiding geeft tot aanpassing van de elf
perspectieven. Dan pas is het mogelijk om de PlanMER af te kunnen stemmen op de gewenste situatie
in 2050.

Het is mogelijk om de NRD voor te leggen aan de Commissie voor de m.e.r. Het voordeel hiervan is dat
een deskundige blik op de onderzoeksagenda voor het m.e.r. wordt gegeven, op maat voor de
gemeente. Een ander voordeel is dat we beter voorbereid zijn op de (verplichte) toetsing van het MER
door de Commissie later in het proces.

Zienswijze: NRD

Het Milieuplatform stelt voor de NRD voor beoordeling voor te leggen aan de Commissie voor de
m.e.r. Zo weet de gemeente aan het begin van de procedure of de NRD voldoet aan de eisen. De
gemeente voorkomt daarmee later in de procedure geconfronteerd te worden met
onvolkomenheden.

Het zorgvuldig bekijken van hoe opgaven op elkaar ingrijpen, wat de voor- en nadelen van
ontwikkelingen zijn en het schetsen van alternatieven en scenario’s maakt dat knelpunten of dilemma’s
in beeld komen. Om daarin keuzes te kunnen maken is een beoordelingskader nodig. De gemeente
moet bepalen welk beoordelingskader daarbij wordt gehanteerd.

In hoofdstuk 4 van de NRD wordt een eerste aanzet van uitwerking van zo’n beoordelingskader
gegeven, dat nog nader uitgewerkt wordt in het PlanMER. Het Milieuplatform is van oordeel dat de NRD
een volledig uitgewerkt beoordelingskader hoort te bevatten.

Zienswijze: Het beoordelingskader in de NRD is incompleet

Het beoordelingskader in de NRD is incompleet. Het bevat slechts een eerste onvolledige aanzet voor
één van de elf perspectieven van de Omgevingsvisie. Het Milieuplatform is van oordeel dat de NRD
een helder en volledig uitgewerkt beoordelingskader hoort te geven. Op basis van de beperkte
informatie in hoofdstuk 4 NRD is in het kader van inspraak en overleg geen afgewogen oordeel over
het beoordelingskader te geven.

Volgens hoofdstuk 4.2 NRD wordt voor het nieuwe beleid beoordeeld of sprake is van een mogelijk
positief effect (+), waarschijnlijk geen effect (0) of mogelijk negatief effect (-). Dit vinden wij een te grove beoordelingsschaal. Het Milieuplatform adviseert minimaal uit te gaan van een vijf punt schaal,
variërend van relatief slecht (situatie met veel knelpunten en ambities, die nergens worden gehaald) tot
relatief goed (situatie met geen knelpunten, ambities worden overal gehaald). De beoordelingsschaal,
die de gemeente Rotterdam hanteert, is een goed voorbeeld. Zie NRD d.d. juni 2020, pagina 20, van de gemeente Rotterdam (https://bit.ly/3pZJd0I).

Zienswijze: Niet uitgaan van voorstel NRD

Het Milieuplatform stelt voor om niet uit te gaan van de in de NRD voorgestelde drie punt schaal,
maar minimaal een vijf punt schaal te hanteren voor de beoordeling van effecten in de NRD.

Het college heeft ervoor gekozen de m.e.r. op te laten stellen met als afwegingskader de elf strategische perspectieven van de Omgevingsvisie. Het meest voor de hand liggend is echter om aansluiting te zoeken bij het beoordelingskader volgens de VNG Praktijkproef Afwegingskader Omgevingsvisie (https://bit.ly/36xTZna). Daarbij kan een afwegingskader voor de Omgevingsvisie worden gehanteerd dat aansluit bij de 17 Global Goals. Deze Global Goals weerspiegelen de grote maatschappelijke opgaven waar we wereldwijd met elkaar voor staan. Daarmee zijn er veel raakvlakken met de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet en de door de wetgever gestelde eisen aan de inhoud van de Omgevingsvisie. Een belangrijke meerwaarde van de Global Goals is dat deze een veelomvattende, mondiaal overeengekomen – en daarmee breed gelegitimeerde – agenda vormen, die gepaard gaat met concrete, tijdgebonden doelen en indicatoren. De kracht van de Global Goals is ook dat ze aanzetten tot het proactief opzoeken van synergie tussen verschillende maatschappelijke opgaven en belangen. Dat ook de sociale en sociaal-culturele doelen onderdeel uitmaken van dit kader is juist voor de gemeente van toegevoegde waarde.

De VNG heeft de 17 Global Goals herleid tot de volgende 12 op de leefomgeving gerichte hoofdthema’s:

  1. Gezonde en veilige inrichting van de leefomgeving
  2. Inclusieve woonomgeving en toegankelijke voorzieningen
  3. Duurzame en veilige vervoerssystemen voor iedereen
  4. Waardevolle leefomgeving en aantrekkelijk vestigingsklimaat
  5. Weerbaarheid tegen klimaatverandering en rampen
  6. Schone energie voor iedereen en tegengaan klimaatverandering
  7. Duurzame werkgelegenheid voor iedereen
  8. Circulaire economie en duurzame infrastructuur
  9. Duurzame landbouw en voedselvoorziening
  10. Gezonde ecosystemen en biodiversiteit
  11. Schoon water en duurzame drinkwatervoorziening
  12. Gezonde leefomgeving: goede milieukwaliteit

De VNG heeft deze 12 hoofdthema’s met subdoelen en concrete aandachtspunten bij elkaar gebracht in de Global Goal-onderlegger. Zie bijlage 4 bij de Handreiking van de VNG. De gemeente kan op basis van haar eigen specifieke situatie aandachtspunten herformuleren, weglaten of toevoegen. De opgehaalde reacties naar aanleiding van de panorama’s kunnen bijvoorbeeld reden zijn specifieke aandachtspunten en wegingsfactoren aan te passen. Zo ontstaat een prima afwegingskader om tot innovatieve, geïntegreerde en toekomstbestendige keuzes te komen.

De gemeente Westland, die in meerdere opzichten vergelijkbaar is met Pijnacker-Nootdorp, heeft voor
zo’n afwegingskader gekozen (https://bit.ly/3oHkHQs). De kwaliteiten van de leefomgeving en de
effecten van de Omgevingsvisie zijn in beeld gebracht aan de hand van een beoordelingskader dat is
gebaseerd op de drie pijlers van People-Planet-Profit. Vervolgens zijn de kansen en risico’s voor de
fysieke leefomgeving aan de hand van de verschillende scenario’s op schematische wijze helder in beeld gebracht via een zogenaamd Rad van de Leefomgeving. Ook andere gemeenten, zoals Rotterdam, hanteren deze werkwijze met succes (https://bit.ly/39zqHXd). In de bijlage bij deze brief is het Rad van de Leefomgeving uit de NRD van Rotterdam opgenomen.

Zienswijze: Beoordelingskader gebaseerd op Global Goals vertaald naar het Rad van de Leefomgeving

De voorkeur van het Milieuplatform gaat uit naar een beoordelingskader, dat is gebaseerd op de
Global Goals vertaald naar het Rad van de Leefomgeving. De VNG Praktijkproef en de ervaringen in
o.a. de gemeenten Westland en Rotterdam laten zien dat het een waardevol hulpmiddel is om tot een
brede en gedragen Omgevingsvisie te komen. Het is een krachtig instrument om de leefomgeving
breed en vanuit verschillende perspectieven te beschrijven.

Hoofdstuk 3.3 NRD vermeldt dat het PlanMER zich primair richt op de grote ruimtevragers. Genoemd
worden verstedelijking, duurzaamheid en economie. Bij economie wordt alleen aandacht gegeven aan bedrijfsterreinen. Wij missen bij dit onderdeel de glastuinbouw als economische factor in Pijnacker-Nootdorp.

Naar onze mening horen ook andere ruimtevragers zoals groen, recreatie en mobiliteit opgenomen te
worden. Door bijvoorbeeld groen en recreatie niet te noemen lijkt het erop dat deze aspecten in de
gehele afweging ondergesneeuwd raken. Maar als Pijnacker-Nootdorp serieuze ambities heeft m.b.t.
natuur en groene recreatiegebieden, dan moeten we die ook als ruimtevragers benoemen. Dit betekent onder andere dat we op zoek gaan naar nieuwe kansen voor natuur en groen, bijvoorbeeld als er ruimte vrij komt wanneer bijvoorbeeld kassen verdwijnen. Laten we ook ruimte voor groen en natuur binnen bestaande en nieuwe wijken en bedrijventerreinen bevorderen!

Wij vernemen graag van u hoe wordt geborgd dat in het PlanMER deze aspecten goed aan bod zullen
komen.

Zienswijze: Ruimtevragers

In hoofdstuk 3.3. mist het Milieuplatform bij de opsomming van ruimtevragers de glastuinbouw,
groen, natuur, recreatie en mobiliteit. Deze ruimtevragers mogen niet ondergesneeuwd raken in het
PlanMER! Hoe wordt geborgd dat deze goed aan bod komen in het PlanMER?

Het is volgens hoofdstuk 3.3 NRD de bedoeling het PlanMER gelijktijdig mee te laten lopen met het
opstellen van de Omgevingsvisie, zodat de m.e.r. ondersteuning kan bieden bij het maken van
inhoudelijke keuzes tijdens het proces tot vaststelling van de Omgevingsvisie. Het kan tijdig
alternatieven laten zien en (globaal) de (milieu)gevolgen inzichtelijk maken. De resultaten van de
participatie over de Omgevingsvisie zijn van belang voor keuzes van alternatieven en de beoordeling
daarvan qua effecten.

Deze heel algemene beschrijving in de NRD van het proces vraagt om verduidelijking:

  • Hoe gaat het gelijktijdig meelopen van het PlanMER met de totstandkoming van de
    Omgevingsvisie praktisch en qua planning vorm krijgen? Hoe is de regie daarop geregeld?
  • Het participatieproces over de Omgevingsvisie levert veel meningen, argumenten en dilemma’s
    op, die om nadere afweging van (beleids)alternatieven en inzicht in de gevolgen daarvan vragen.
    Wat vinden inwoners werkelijk belangrijk, minder belangrijk of niet? Op welke momenten en op
    welke wijze en door wie worden in dit proces prioriteiten gesteld en bestuurlijke keuzes
    gemaakt?
  • Hoe wordt het proces ingericht zodat voldoende tussenstappen zijn ingebouwd voor het op
    transparante wijze delen van informatie met inwoners en degenen, die zienswijzen hebben
    ingediend, over de (eerste) uitkomsten van de participatie en het volgordelijk nemen van
    besluiten door de gemeenteraad?

Zienswijze: m.e.r. ondersteuning

Het uitgangspunt is om de m.e.r. ondersteuning te laten bieden bij het maken van inhoudelijke keuzes
tijdens het proces tot vaststelling van de Omgevingsvisie. Hoe gaat dit in zijn werk? Het is nodig dit uit
te werken en inzichtelijk te maken qua planning, onderlinge wisselwerking en besluitvorming, zoals in
bovenstaande drie bullets genoemd.

Het is te verwachten dat de Omgevingsvisie zal bestaan uit een mix van bestaand beleid, concrete
besluiten, principebesluiten en ambities. We onderscheiden de volgende situaties:

  1. Hoe concreter en kaderstellend besluiten zullen zijn, des te meer zal diepgaand, kwantitatief
    onderzoek naar (milieu)effecten en ruimtegebruik noodzakelijkerwijs moeten plaatsvinden om
    inzicht te krijgen in de gevolgen daarvan. Bij de vaststelling van de Omgevingsvisie zullen de
    (milieu)effecten e.d. van dergelijke concrete, kaderstellende besluiten voldoende bekend
    moeten zijn om daarover te kunnen oordelen.
  2. Anders is het echter bij principebesluiten en ambities, die in de Omgevingsvisie zullen staan.
    Principebesluiten en ambities zijn namelijk meer algemeen en abstract van aard. De effecten,
    kansen en risico’s daarvan kunnen daardoor slechts in algemene zin worden benoemd.
    De praktijk zal zijn dat die besluiten en ambities in een later stadium uitgewerkt en
    geconcretiseerd zullen worden.

Zienswijze: Vragen

De situatie, die zich onder punt 2 voordoet, roept de volgende vragen op:

  • Hoe is in de toekomst bij die uitwerking en concretisering geborgd dat milieueffecten, ruimtebeslag e.d. even goed zijn onderzocht als in het kader van het PlanMER?
  • Het PlanMER biedt de mogelijkheid keuzes in samenhang met elkaar af te wegen. Hoe gaat deze integrale afweging plaatsvinden bij de toekomstige uitwerking van bepaalde ambities c.q. plannen?
  • Op welke wijze wordt het milieubelang meegewogen wanneer principebesluiten uitgewerkt wordenin het Omgevingsplan of de Omgevingsprogramma’s?

Terecht staat in hoofdstuk 3.8. NRD dat monitoring en evaluatie nodig zijn om te kunnen bepalen of
gewenste doelen en voorspelde effecten ook daadwerkelijk uitkomen. We lezen: ‘In het PlanMER volgt
daarom ook een aanzet op welke wijze een dynamisch systeem voor de leefomgeving kan worden
opgezet dat helpt bij het monitoren en evalueren van het beleid’.
Het Milieuplatform hecht grote waarde aan monitoring als middel om te bezien of maatregelen het
beoogde effect hebben en om zo nodig beleid bij te stellen. In eerdere adviezen heeft het
Milieuplatform het belang van monitoring benadrukt en gevraagd om daarvoor adequate systemen op
te zetten. Zie onder andere onze adviezen d.d. 24-1-2016 over Quickscan Visie duurzame energie, d.d. 8-3-2018 over Verduurzaming warmtevoorziening, d.d. 8-1-2020 over Energiemix. Wij constateren echter dat ondanks goede bedoelingen het opzetten en beheren van monitoringssystemen onvoldoende van de grond komt. Gelet hierop kan niet volstaan worden met een
aanzet voor een mogelijk systeem. Daarom hoort bij de vaststelling van het PlanMER en de
Omgevingsvisie het monitoringssysteem beschikbaar en operationeel te zijn.

Zienswijze: Monitoringssysteem

Bij de vaststelling van het PlanMER en de Omgevingsvisie hoort een adequaat monitoringssysteem
beschikbaar en operationeel te zijn.

Met vriendelijke groet,

Namens het Milieuplatform Pijnacker-Nootdorp,
Paul Clabbers
Deze brief is digitaal aangemaakt en daarom niet ondertekend.

Oudere besluitenlijsten vindt u onder Politiek en Organisatie > Adviescommissies op de archiefwebsite.

Meer informatie

Voor meer informatie over of contact met het Milieuplatform kunt u contact opnemen met Gerald Stam, via 06-10961730.